Hieronder volgen alle gepubliceerde hoofdstukken uit het boekje Anupam Kripa ("Oneindige Zegeningen") van Mahendra Maharaj. Mahendra was de yogi profeet, die India doortrok om de komst van Haidakhan Babaji Mahavatar aan te kondigen. Al voor Zijn komst in 1970 openbaarde Babaji zich aan Mahendra.
De nederlandse vertaling is van Harihar (hendrk@dds.nl). In de loop van de tijd zullen hier alle hoofdstukken van het boekje worden toegevoegd. De hoofdstukken staan in volgorde van publicatie: na hoofdstuk 11 komen hoofdstuk 1, 2, etc. Voor de laatste gepubliceerde hoofdstukken klik hier. Het boekje is ook verkrijgbaar op Sada Shiva Dham.
11: HALDWANI
Het was winter en het jaar was 1954. Ik was in Haldwani en mijn geest was in perfect evenwicht. Maar wie kan Shri Bhagawan´s goddelijke spel doorgronden? In mij voltrok zich een grote innerlijke strijd, die mij zeer ongelukkig maakte. Door een grote vraag die in mij oprees werd ik op een vreemde manier neerslachtig. De onrust was van dien aard, dat mijn geest tegen zichzelf zei: ‘Nu heb je aan iedereen verteld, dat Haidakhan Baba Bhagawan Zelf is, terwijl de wereld vandaag de dag zo vol zonde en zorgen is.’ Shri Ragh Vendra heeft verklaard, ‘Heer ik ben tijd, de werking van het principe dat mensen voorziet van de vruchten van zowel hun slechte als hun goede handelingen.’ Als Prabhu dat principe nu zou laten gelden, zou de wereld met geen mogelijkheid kunnen worden gered. Zo verklaarde ook de Heer van het Goddelijk Spel, Shri Krishna: ‘Ik ben Yama die alle dingen verslindt.’ Deze verklaring kan enkel de vernietiging betekenen van de wereld zoals die nu is, te weten: vol zonden, zonder idealen of ethiek, een maatschappij waarin geen publiek welzijn is. Dergelijke omstandigheden vragen om een God als Hij, in menselijke vorm, die vergevingsgezind is en vertrouwwekkende en genereuze woorden spreekt, die iedereen verstaat en in Wie allen zonder vrees hun toevlucht kunnen nemen. Dat wil niet zeggen dat andere Grote Wezens verstoken zouden zijn van vrijgevigheid, vergevingsgezindheid of menselijkheid. Het staat zondermeer vast dat deze Grote Wezens genoemde kwaliteiten in hoge mate uitstralen. Het is alleen zo dat in bepaalde incarnaties van de Godheid de nadruk ligt op het conflict tussen goed en kwaad, opdat er discipline uit voortkomt voor het wel van het universum, terwijl in andere meer de nadruk ligt op de Lila, het Goddelijke Spel. In sommige incarnaties stond kennis voorop terwijl Hij in weer andere incarnaties alleen verscheen om het pad der Liefde te onderwijzen. En zo was de avatar Shri Baba gekomen om vrede, vergeving en mededogen te onderwijzen in hun drievoudige vedisch aspect. In vroegere tijden waren er in groten getale devotee´s van de Heer die als heiligen waren, maar tegenwoordig zijn personen met een menselijke natuur al moeilijk te vinden. Demonen hebben menselijke vormen aangenomen en jagen hun instincten na. De ontwikkeling van menselijke kwaliteiten is ver te zoeken. Omdat mensen er tegenwoordig perverse leefgewoontes op na houden, hebben ze grote twijfels en keren ze zich af van de juiste methodes om bevrijding en vooruitgang te verwezenlijken. In een dergelijke atmosfeer straalt onze Hemelse Vader, die de personificatie is van vergevingsgezindheid en vriend is van alle mensen, al de kracht uit van Zijn oneindige vergevingsgezindheid. Deze goddelijke kracht van vergevingsgezindheid is alleen te vinden in grote heiligen. Daarom heeft Shri Bhagawan Zich uit compassie in deze zelfde kaliyuga (huidige tijdperk van grote transformatie) gemanifesteerd als heilige, in de vorm van de compassievolle Boeddha, die geweldloosheid beschouwde als de hoogste menselijke waarde. De controversiële Shri Krishna Chaitanya Mahaprabhu, die hemelse geneugten schonk en ingewikkelde rituelen ondergeschikt achtte aan het eenvoudig herhalen van Hari’s naam, onderwees door deze incarnatie die waarde. In deze tijden komt Shri Bhagawan in de gelijkenis van een heilige, Shri Haidakhan Baba die het voorkomen heeft van een gerealiseerde ziel. Het doel van deze Goddelijke incarnaties is verschillend naargelang de tijd waarin Zij komen. De Heer Vishnu bijvoorbeeld neemt een andere vorm aan, iedere keer dat Hij naar deze sterfelijke wereld komt. In deze tijd is het nodig dat de Heer in deze vorm komt. Geheel in overeenstemming met de behoefte van deze tijd, is deze vorm van uiterst vredige incarnatie nodig. Al degenen, die van deze gebeurtenissen hebben gehoord zijn het erover eens. Mijn metgezellen uit de Kumaon en andere devotee’s hebben andere vormen van verering los gelaten en zijn Shri Baba Maharaj gaan vereren. Overal werd deze avatar besproken en vereerd.
Ondanks dit alles begon ik onverwachts flink te twijfelen; er waren in deze wereld toch immers veel gerealiseerde heiligen? En ofschoon zij in deze tijd misschien niet in staat zijn om alle occulte krachten te manifesteren, beschikken deze grote ingewijden toch over vele wonderlijke kwaliteiten. Wat voor bewijs is er dat Shri Haidakhan Baba niet een van die ingewijden is, in plaats van de incarnatie van het Brahman Zelf? Er is een wereld van verschil tussen het vereren van God en de verering, die wordt aangeboden aan een ingewijde. Ook al is God aanwezig in alle vormen, toch is Zijn eigen Avatar met niets anders te vergelijken. En als Shri Haidakhan Baba niet echt Bhagawan is, dacht ik, dan zullen al diegenen die met de verering van Ram, Krishna, Shiva en Devi zijn gestopt om Shri Baba als Bhagawan te vereren, geen bevrijding kunnen vinden. Ik heb tegen al die trouwe devotee’s gezegd, dat Hij echt het Brahman is! Deze devotee’s hebben mijn bewering aangenomen als de hoogste waarheid en hebben hun spirituele praktijken hieraan aangepast. Ik zou deze toegewijde volgelingen dus van het juiste pad doen afdwalen als Haidakhan Baba niet God Zelf is. Ik zou ze voor de gek houden, tenzij ik met eigen ogen zou mogen zien, dat Shri Baba’s Heilige Vorm dezelfde is als die, welke beschreven is in de Veda’s, de Purana’s en de Tantra Shastra’s; alleen dan zou ik er volledige vrede mee kunnen hebben en zou er weer rust kunnen komen in mijn geest. Deze innerlijke tweestrijd nam mijn geest zo´n vier á vijf dagen in beslag.
Door de zegen van de Heer gebeurde het, dat ik in de donkere helft van de maand Magh, op zondag vierentwintig januari 1954 rond een uur of tien in de ochtend met een andere devotee, Bankelal Pathak een wandeling maakte langs de oevers van de rivier de Gola. Het vliegveld van Haldwani (een ander is in aanbouw) ligt op ruim anderhalve kilometer afstand van de stad langs de oevers van de rivier de Gola, op een plek waar voorheen een groot woud stond. Rondom het vliegveld is het ook nu nog dicht bebost en het is bekend dat er zelfs tijgers huizen. De bewuste devotee en ik gingen juist in de richting van het woud, toen na ongeveer tweehonderd meter het pad, dat door houthakkers moest zijn gemaakt niet verder leek te gaan.
Natuurlijk dacht ik na hoe we verder moesten, aangezien we niet zagen hoe het pad verder ging en er niemand was die het ons kon wijzen. Deze gedachte kwam heel even op en verdween toen weer. Ik liep voorop en de devotee achter me aan met een emmer in zijn hand. Ik liep met de blik op de grond gericht, toen ik opeens op een afstand van ongeveer tien meter de vorm van Shri Baba naderbij zag komen. Het drong direct tot me door dat deze vorm in alle opzichten anders was dan alle vorige; dit was Zijn werkelijke, eeuwige vorm. Telkens als Shri Bhagawan incarneerde voor het welzijn van de mensheid, waren de beschrijvingen, zoals ze zijn opgetekend in de geschriften en beschreven zijn door de heiligen duidelijk hetzelfde. Het was die vorm van de drieogige, makkelijk te behagen Bhagawan Shankara met de blauwachtige keel (wat aangeeft dat Hij het gif heeft gedronken), die mij met kalme, rustige tred tegemoet kwam. De blik uit Zijn ogen doorboorde mijn hart en bleef daar als een baken van licht. In gedachten maakte ik op afstand al pranam voor Hem en omdat mijn handen niet rein waren, vond ik het niet fijn om Zijn voeten aan te raken. Zodra Zijn blik op mij viel, vergat ik alles. Ik verloor mijn gevoel van ik-zijn en in halfbewuste staat vroeg ik Prabhu: ‘Is daarginds water?’ Shri Prabhu antwoordde mij op ernstige en zachte toon: ‘Zeker.’ Opnieuw durfde ik Hem een vraag te stellen: ‘Waar komt U vandaan?’ Shri Bhagawan antwoordde door eenvoudig te wijzen in de richting van Haidakhan. Door de zegening van Zijn heilige voeten drong het volledig tot mij door dat Shiva, geïncarneerd als Shri Haidakhan Bhagawan was gekomen om mij te verlossen van mijn twijfels en mij te zegenen met het visioen van Zijn alomtegenwoordige, almachtige, Zelfontstane vorm. Tegelijk met de blijdschap en de vrede voelde ik mij ook zeer beschaamd; ‘Wat een onwaardige gelovige ben ik toch! Terwijl Hij mij zo makkelijk te hulp schiet en zegent op een wijze, die zelfs heiligen en wijzen niet makkelijk verkrijgen, probeer ik als een wispelturig, onnozel en vooringenomen kind Zijn grootsheid te doorgronden!’ Maar ook deze gedachte was gauw weer vervlogen en noch de devotee die bij me was, noch ik begreep hoe ik op mijn schreden was teruggekeerd, of hoe de devotee naast me was komen te staan. Shri Maharaj stond recht voor ons op ongeveer tweeënhalve meter afstand. Hoezeer ik me ook inspande om Zijn hele lichaam waar te nemen, de schittering van Zijn derde oog was zo groot dat ik, ondanks Zijn genade en grote nederigheid alleen in staat was een glimp op te vangen van Zijn afzonderlijke lichaamsdelen. De nectarzoete aanblik maakte, dat mijn geest volledig werd bevredigd. Alleen Zijn heilige voeten, Zijn lippen, Zijn goddelijke ogen en lotusvormige handen waren volledig zichtbaar. Andere goddelijke delen van Zijn lichaam, die slechts vluchtig en dan nog gedeeltelijk waarneembaar waren, waren zo vervuld van een verblindende, allesdoordringende liefde, dat ze mijn geest in beroering brachten en haar voor eeuwig gevangen zetten.
Toen ik echter met Gods zegen een glimp opving van de maanvormige nagels van Zijn tenen, waren mijn gevoelens niet langer te beschrijven. Hoe kan ik in vredesnaam de staat beschrijven waarin ik me op dat moment bevond? Op zijn terugkeer naar huis vertelde de devotee zijn vrouw: ‘Bij het zien van Maharaj, zag Baba eruit als een trouwe echtgenote die opkijkt naar haar man.’ Of die devotee nu een dichter was of niet, hij zei iets wat zeker waar was. Bij het zien van de nagels van Zijn voeten ging niet alleen mijn geest, maar ook mijn intellect, mijn leven, ja zelfs mijn lichaam als een vlam op in die schittering! Wat voor vorm het ook was die ik toen waarnam, het kwam mij voor als de Almachtige Zelf. Allerhand gedachten speelden nog door mij hoofd, toen Shri Bhagawan met de devotee begon te praten, terwijl Hij mij ondertussen aankeek. Shri Maharaj zei tegen de devotee: ‘Ik ben hierheen gekomen om hout te sprokkelen, maar ik kan niets vinden. Ik moet naar Bhojipura en wil van daar de trein nemen.’ Terwijl Hij dat zei keek Hij mij aan en Zijn blik alleen al was voldoende om mij de Zijne te maken, vrij van alle wensen en verlangens. De woorden die uit Zijn gezegende mond kwamen trokken me naar Hem toe. Na een poosje zei Shri Maharaj: ‘Ik heb al drie dagen niets gegeten, omdat ik geen hout kon vinden.’ De devotee dacht een gewone jongeman voor zich te hebben, maar aan mij toonde Hij zich in Zijn werkelijke vorm; die van Shiva. Vanuit Zijn derde oog goot Hij Zijn zegeningen over me uit. Zelfs terwijl hij tegen de devotee praatte, bewogen Zijn lippen niet. Wat daar op dat moment gaande was, was eigenlijk niet te beschrijven. In Sidhashram had Maharaj het voorkomen van een heilige, maar vandaag willigde Hij mijn verzoek in; ‘O Shiva, toon mij Uw Serene Zelf.’
Mijn geest, die verdronken was in de majesteit van de Heer, vergat de hele majesteit toen ik Hem het woord honger hoorde uitspreken. Ik besloot Hem genoeg pais (rupeecenten) te geven om wat voedsel te kunnen kopen en water te kunnen drinken. Wat kon ik doen? (Hoe verwerpelijk is de geest! Ach, de rijkdom des levens Zelf staat voor me, met alle bijbehorende zegeningen en deze geest kan enkel bedenken wat het Hem te eten kan aanbieden). Ik vroeg daarom de devotee fluisterend, ‘Bhagatji, heb je vier pais?’ De toegewijde devotee antwoordde, ‘Ik heb een twee-anna stuk.’ Ik zei hem het aan Hem te geven en zodra de devotee zijn hand in zijn zak stak, hield de Brenger van Rijkdom Zijn hand op, waarop de devotee het twee-anna stuk (vier pais) er van een afstand in gooide. Ik weet niet waar de munt belandde, ik kon alleen zien dat het in de richting ging van Zijn uitgestoken hand. Liefdesvreemd als ik was, liep ik vooruit met de gedachte eerst mijn bad te gaan nemen en dan terug te komen. De compassievolle Heer bleef echter staan en met gulle vrijgevigheid zei Hij: ‘Baba, je wensen zullen in vervulling gaan. Ga, je zult bevrijding vinden. Ik zal het water drinken en het voedsel nuttigen dat met de vier pais is gekocht.’ Terwijl Hij mij op deze wijze zegende, zette Hij er ineens flink de pas in. Ik liep naar het Oosten en Shri Maharaj naar het Westen, maar op een of andere manier kon ik op dat moment kijken naar alle kanten tegelijk; zowel naar voren als naar achteren. In opperste vreugde kon ik geen woord uitbrengen, maar de devotee zei: ‘Baba, dit is Shri Maharaj Zelf.’ Voor de grap vroeg ik hem hoe hij dat kon weten. Hij zei dat Shri Maharaj altijd deze woorden gebruikte als Hij Zijn zegen gaf. Door al dit geluk was ik in de zevende hemel. Snel voegde de devotee eraan toe: ‘Als ik Hem roep en Hij is werkelijk Shri Maharaj dan zal Hij antwoorden, anders niet.’ ‘Ik kan niet roepen,’ zei ik, ‘roep jij Hem maar.’ De devotee had Hem eerst voor een doodgewone jongeling aangezien, daarom noemde hij Hem ook na deze ervaring nog Lala . De devotee riep daarom: ‘Lala!’ en van de andere kant kwam tegelijkertijd het antwoord: ‘Ji!’ alsof het dezelfde persoon was die antwoordde. De devotee was verrast en verwonderd, omdat het klonk alsof slechts een enkel woord ‘Lalaji’ was uitgesproken. Toen ik tegen hem zei: ‘Ren, en haal Prabhu’s darshan!’ rende de devotee weg zo snel als hij kon. Ik kon het niet helpen enigszins geamuseerd te zijn toen ik bij mezelf dacht: ‘Arme devotee, is er ook maar een iemand op aarde die de Heer kan bereiken uit eigen kracht?’ Terwijl deze gedachte door me heen ging riep ik naar hem: ‘Bhagatji, heb je Hem gezien?’ ‘Nee,’ was het antwoord. Van waar ik stond riep ik wederom naar hem: ‘Blijf staan waar je staat en buig voor hem met gevouwen handen.’ De Devotee bleef staan en met zijn gevouwen handen opgeheven groette hij Hem, terwijl zijn ogen gericht waren naar omhoog. De alomtegenwoordige Heer had mededogen met hem en de devotee werd gezegend met het visioen van Zijn aangezicht. Heel hoog in de lucht, op ongeveer zestig meter hoogte was Shri Baba Haidakhan te zien in lang hemd en muts, die naar de hemel opsteeg, omgeven door een goddelijk licht. Ook de devotee was geheel vervuld van blijdschap door het visioen dat hem was gegeven. Pas op dat moment begreep hij de Lila van Bhagawan en zei hij tegen mij: ‘Daarom werd je zo kalm, Baba! Haidakhan Baba is het opperste Brahman Shiva in eigen persoon! Als ik ooit enige twijfel hierover zou hebben gehad, dan heeft Hij mij er nu voor altijd van bevrijd.’ Ook ik werd erg blij toen ik deze woorden uit zijn mond hoorde. Een aantal dagen achtereen bleef heel zijn wezen doordrongen van deze blijdschap. In hem verankerde zich het rotsvaste geloof dat De Heer zich volledig in Shri Baba had gemanifesteerd.
Verschillende mensen hebben op verschillende tijdsstippen deze zelfde belevenis gehad. Deze grootse gebeurtenissen speelden zich dertig jaar geleden af in het Kumaongebied, waar Shri Haidakhan Baba’s goddelijk lila’s veel voorkomende gebeurtenissen waren. Zo leverden ze het directe bewijs, dat Hij een volle incarnatie was van Shri Bhagawan. ‘Hij kan met geen enkele maat gemeten worden. Hij, die zelf van alle dingen het bewijs is behoeft niet bewezen te worden.’ Een dergelijke vraag met antwoord is te vinden in het vers: ‘Waarin het Brahman gevestigd? In Zijn eigen Stralende Zelf!’
1(inleiding): INTELLIGENTIE EN VERTROUWEN
De welgeordende diversiteit die men in de hele wereld kan waarnemen en de harmonieuze wijze waarop alles zich daarin met regelmaat voltrekt, vormen het bewijs dat er een alwetende, almachtige kracht is die het op efficiënte wijze bestuurt. Sinds mensenheugenis heeft de geest van de mens op de meest uiteenlopende manieren geprobeerd met deze macht in contact te komen. Zoals een oud vers zegt: ‘Wijzen hebben die Opperste Macht onder uiteenlopende namen en gedaanten aanbeden.’ Deze wijzen stelden zich niet tevreden met enkel het mentale begrip van deze dwingende macht. Zij waren pas tevreden als ze het ook via hun zintuigen en hun lichaam hadden gerealiseerd en zo de ‘Eeuwige’ of ‘Hoogste Staat’ hadden bereikt. Zij vonden pas vrede als ze het Transcendente ook via de zintuigen hadden gerealiseerd. Het was deze realisatie in het hart die de inspiratie opleverde voor de woorden in de Yajur Veda: ‘De Virat (gigantische vorm) heeft duizenden hoofden, ogen en voeten.’ Dat wil zeggen dat het werkzaam is als handen, voeten, hoofd, mond en oren die het gehele universum bedekken. De wijzen uit de oudheid die deze eeuwigdurende, gelukkige realisatie verwierven bezaten kennis over de menselijke vermogens en hadden er volledige controle over. Door deze altijd wakende, alwetende macht en zaligheid te realiseren verwierven zij eeuwige vrede. Toch werd deze realisatie de zintuigen en organen niet zomaar geschonken; in eerste instantie bleef het enkel een verworvenheid van het intellect. Het verstand was volledig bevredigd, maar het hart, het emotionele deel kreeg niets om op te staan. Het verstand is al tevreden met een academische analyse. We kunnen ons opsluiten in onze verbeelding en in dat dromenland leven als een keizer, daar heeft het intellect geen moeite mee. Het hart heeft echter een alles doordringende natuur die wil weten en leren kennen en, voorbijgaand aan alle gescheidenheid verlangt naar eenheid. Zolang dit doel niet was bereikt, streefde de mens er daarom vanuit een natuurlijke behoefte naar om op het gebied van de wezenlijke praktische dingen volledige eenheid te vinden tussen de transcendente kwaliteiten van het hart en de emoties.
Het hart en het intellect zullen niet ophouden te denken en te vragen, totdat zij ware kennis en werkelijke realisatie hebben verkregen van het onbenoembare en ongrijpbare Al-wezen, dat zonder begin is en niet kan worden uitgedrukt. Op dezelfde manier zal ook de trouw van het hart weten, dat zijn queeste niet is volbracht voordat het God, het onderwerp van zijn meditatie niet aan zichzelf verklaarbaar heeft kunnen maken in zijn eigen taal en zichtbaar heeft kunnen maken aan zijn eigen ogen. Het verschil tussen kennis en intellect ligt enkel in de woorden, in feite zijn ze een en hetzelfde. Beide termen worden hier in dezelfde betekenis gebruikt. Ook in de Geschriften staat: ‘Waar bevrijding niet kan worden verkregen met behulp van het intellect, is het mogelijk de Heer te aanschouwen door middel van de intuïtie.’ Op de zelfde wijze zijn ook vertrouwen en devotie een. De Schriften zeggen, ‘Vertrouwen kan leiden tot kennis van het Ware.’ Shri Bhagawan (God, de Heer) zegt: ‘Je kunt mij door niet-aflatende devotie leren kennen.’ Er is dus een nauw verband tussen intellect en vertrouwen. Net zoals een fysiek lichaam zal sterven als men het in tweeën snijdt, zo zal een scheiding van intellect en vertrouwen in het spirituele leven leiden tot het doven van het spirituele inzicht. Niet alleen in het spirituele, maar bij alle menselijke activiteiten is de harmonieuze samenwerking van deze tweelingkrachten of -energieën onmisbaar. Zonder het samenwerkingsverband van de twee is het onmogelijk om welk karwei dan ook perfect uit te voeren. De volledige ontwikkeling van een mens, de volledige realisatie van de ziel, de aspirant die zijn aspiraties in vervulling ziet gaan en de verliefde die volledig een wordt met zijn geliefde, dat alles is alleen mogelijk wanneer intellect en vertrouwen in het leven samenwerken als de wateren van de Ganges en de Jamuna, die al stromend samenvloeien. Voor een werkelijk succesvol leven is het absoluut noodzakelijk dat beide stromen vloeiend bijeen komen. We zullen de onsterfelijkheid bereiken en op gaan in het Licht, wanneer het vloeien van deze twee stromen in elk veld van ons leven volledig gecoördineerd, puur, regelmatig en vrij is.
Scheppende krachten als het intellect en het vertrouwen maken onafscheidelijk deel uit van de goddelijke energie. Geloof maar gerust dat de Goddelijke Moeder die van nature eén is, meer dan eens de gedaante van een van deze aspecten heeft aangenomen om de mensheid te redden die door veelvormigheid is verblind. De Goddelijke Kracht maakt zich voornamelijk kenbaar door haar grootsheid, haar grandeur en haar lieflijkheid. Shri Bhagawan straalt beide uit en de compassievolle Heer zegent zijn volgelingen zowel met zijn goddelijke grootsheid als met de charme van zijn lieflijkheid. Beide kwaliteiten zijn voor de mens moeilijk te verwezenlijken, want een wezen dat nog niet vrij is kan de Goddelijke Macht niet dragen. Het is alleen bij de gratie van de Goddelijke Moeder, die zo vol van compassie is dat enkele vonken van haar Goddelijke lieflijkheid in onze harten worden uitgestrooid. Door Haar Grootsheid ondergeschikt te maken en door een compassievolle en bewuste vorm van goddelijke lieflijkheid aan te nemen, daalt die Goddelijke Macht af in het menselijke hart. Shri Bhagawan heeft gezegd ‘Ik ben Dhanjaya (een van Arjuna´s namen) onder de Pandava’s en onder de demonen ben ik Prahlad (een tot god bekeerde demon).’ Daarom is het gevoel van toewijding in een mens een gedaante van die Heer zelf. Als iemand is ondergedompeld in Maya en dag na dag voort kabbelt op de golven van zijn instincten, wat heeft hij dan voor mogelijkheden om de ondoorgrondelijke Maya te overkomen? Dus als we de eenheid van intellect en vertrouwen eenmaal hebben aanvaard, moeten wij wel tot de conclusie komen dat ook grootsheid en lieflijkheid elkaar alleen maar aanvullen. Het intellect is de basis van waaruit we de grandeur, de grootsheid kunnen beschouwen. Het intellect neemt nooit graag iets aan zonder eerst verslagen te zijn. Daarom zat het intellect nooit tot een heldere en duidelijke afsluiting van een bepaald onderwerp kunnen komen, als de mokerslagen van de logica en het kruisverhoor niet eerst al haar duizenden verdenkingen zullen hebben vermorzeld.
Goddelijk Vertrouwen is vol lieflijke glans. Terwijl wij mensen verkeren op het slagveld van onze inspanningen, in de bewogen wateren van de geest en verzwakt zijn door de winden van het instinct, schenkt Moeder Vertrouwen ons de parel van haar Bhava; het sentiment van de loyaliteit. Na het ontvangen van de loyaliteit, die het vertrouwen ons heeft opgeleverd gaan onze levens in vervulling. Gesterkt door de allerpuurste straal van het juweel, bevrijden we ons van de hulpeloosheid en van de drie wereldse zorgen, die ontstaan wanneer gebrek aan goddelijke overvloed tot kennisverduistering leidt. Dan bereiken wij het Goddelijke Licht, de Goddelijke Schittering van de Waarheid en de Zaligheid.
Net zoals de samenvloeiing van de Ganges en de Jamuna de voornaamste heilige plek wordt en een trekpleister voor pelgrims, zo wordt ook door een perfect samenspel van intellect en vertrouwen, door onze inspanningen in ons innerlijk een onbeschrijfelijke, goddelijke vlam tot leven geroepen. Die goddelijke vlam neemt plaats op de troon van ons hart en wij kennen het als Bhava. Net zoals bij de eenheid tussen de devotee, de devotie en het onderwerp van devotie de vitale energie achter iedere inspanning Bhava is, zo zijn ook de persoonlijkheid van de devotee, zijn devotie en de Heer tot wie zijn devotie is gericht samenwerkend als drie-eenheid ‘Bhava’. ‘Bhava is de tastbare gedaante van de Heer.’ De manifestatie van de Heer is alleen mogelijk door Bhava. Ik probeer alleen maar de eerbiedwaardige Heer te beschrijven die tastbaar en tegelijk ontastbaar is. Ondanks dat Ze Zich uiterlijk manifesteert, blijft Ze toch altijd fris; Purusha (goddelijke natuur van de mens). Ooit werden Zijn gebod, Zijn leer en Zijn zegen als volgt samengevat: ‘zoals je Bhava is, is de helderheid van je inzicht.’ De wereld bestaat uit geluk en zorgen, deugd en slechtheid, winst en verlies, lof en slechte naam evenals geboorte en dood. Vanuit welke hoek de mens deze wereld en de Heer ook aanschouwd moge hebben, in zijn realisatie zal het hem opnieuw worden getoond. Waar geen bhavana is, is ook geen Heer en als er andere vormen van bhavana zouden bestaan buiten de Heer, dan kan het niet anders zijn dan dat er sprake is van dierlijke lusten. Iemand die niet in gemeenschap is met de Heer, is geen yogi; het is onmogelijk dat Bhava in hem huist. Bhavana verkrijg je alleen als je je overgeeft aan de voeten van een grote heilige, zoals aan de lotusvoeten van de Guru. Voor wie zich op dergelijke wijze overgeeft wordt zelfs de moeilijkste realisatie gemakkelijk; zo heeft de Heer besloten.
O Arjuna, voor degenen die volledig in Mij zijn opgegaan, ben ik het die hen redt uit de oceaan van deze wereld.’ Alleen die gelukkigen, wier bewustzijn de voeten van het Goddelijke volledig is toegewijd zullen verlost worden. Zij alleen zullen het gelaat van die bevalligste aller Heren mogen aanschouwen.
2: EEN ONVERWACHTE OPROEP
Terwijl ik mij in een toestand bevond van grote emotionele onrust ontfermde de Heer zich liefdevol over mijn rusteloze hart en vergulde mij met stralende gevoelens van devotie en toewijding. Als een mier die de geur van honing opvangt en het achtervolgt tot het bij de honingraat komt, zo ontwaakte ook in mijn geest, die net zo gefascineerd was als de mier, het onverzadigbare verlangen de Heer te ontmoeten, die schenker is van gevoelens van toewijding en onrust. Ik probeerde op verschillende manieren deze onrust te bezweren, maar allemaal zonder succes. In feite was het zo dat de malaise alleen maar toe nam naarmate ik meer pogingen ondernam, om mij ervan te bevrijden. Dit ging enkele jaren zo door. In spirituele disciplines had ik niet veel vertrouwen. Áls ik al een stap in een specifieke richting zette, wekte het idee al gauw weerzin in me op, omdat ik voelde dat het mijn werkelijke doel was om het zozeer verlangde te verkrijgen en te genieten. Als de spirituele disciplines alle obstakels zouden overwinnen, bedacht ik, dan zou ik alleen maar de siddhi’s (occulte krachten) verwerven. Dat zou me echter nog geen glimp van de Heer opleveren en zonder dat zou mij geen duurzame vrede te beurt vallen. Door alleen de siddhi’s te verwerven, zou ik de Heer niet behagen en dus zouden deze spirituele oefeningen voor mij van geen enkel nut zijn. Dergelijke gedachten deden mijn verlangen afnemen om spirituele disciplines te beoefenen. Als ik soms, ondanks het feit dat wereldse dingen me weinig boeiden, voelde dat ik me aan deze materiële wereld hechtte, dan was de kans toch klein dat de gehechtheid definitieve vormen aan zou nemen. In de tijd dat ik deze disciplines beoefende, ontmoette ik vele prinsen en werden mij in overvloed rijkdommen en respect aangeboden. Omdat ik echter heel goed wist dat ik alleen de Heer wilde, bleek het verzamelen van deze goederen voor mij pijnlijk en zonder nut en keerde ik me er ook weer zonder spijt van af. In wereldlijk opzicht verkreeg ik veel waardevolle dingen, maar door de genade van de Heer schenen ze me alle zonder waarde toe. In die periode werd tijdens religieuze discussies vaak beweerd dat er in mij een strijd woedde tussen Maya (illusie) en mijzelf. Soms kreeg Maya de overhand en soms ik. Maya werd geholpen door de Heer en ik door mijn Gurudeva. Als de Heer Maya hielp, bad ik tot Shri Maharaj, de helper der gevallenen en behaalde ik steevast de overwinning.
Hoelang kon ik nog door gaan mijn tijd te verdoen met dit gevecht tussen goden en demonen in de vorm van gedachten en tegen-gedachten, twijfel en waarheid? Dit kon nog wel drie of vier yuga’s (tijdperken) duren. Het conflict beheerste ieder moment van mijn leven. Van het ene op het andere moment konden zich confrontaties voordoen zoals die beschreven worden in het epos van de Mahabharata. Geen kunstenaar zou in staat zijn geweest mijn geestestoestand te bevatten, geen filosoof zou het hebben kunnen beschrijven. Alleen als meerdere mensen, die net zo zeer in de ban waren van deze ziekte als ik bij elkaar waren gekomen, hadden zij misschien een flauw vermoeden kunnen krijgen van de geestestoestand waarin ik mij bevond. Het conflict duurde jaren voort, dag en nacht. Ik overdrijf niet als ik zeg dat, terwijl inhoud en richting van de gedachtegangen soms volledig wisselde elke ademgang van mijn leven er op een of andere manier mee was gevuld. Ik moet zeggen dat de beroering van mijn geest het toppunt had bereikt. Moed en zorgen gebruikten mijn hart als een slagveld op een wijze die met geen mogelijkheid te beschrijven is.
Uiteindelijk kwam ik tot de conclusie dat ik dit doelloze leven diende te staken en mijn tijd en energie alleen nog maar diende te wijden aan het leren ‘kennen van de Heer’. Met het ‘kennen van de Heer’ bedoelde ik dat geen andere gedachte dan die van de Godheid in mijn hart zou mogen oplichten. En als ik toevallig in waakbewustzijn of in mijn slaap een glimp van de Heer zou opvangen zou dit voor mij niet Zijn totale Aanwezigheid (darshan) betekenen. Dit had ik al vele malen besloten, maar ik was niet in staat geweest de liefde voor het leven op te geven. Ik werd echter volledig in beslag genomen door het verlangen om de geliefde te ontmoeten en verwijtend riep ik uit: ‘O geest, hoelang wil je je er nog aan onttrekken? Je moet nu doen wat je hebt besloten. Nu niet langer meer gewacht met het nemen van een beslissing, besluit en succes staan met elkaar in verband.’ Ik bezit geen sterke wil, maar door Gods genade werd ook ik vastberaden. Het was de vierde dag van de maankalender in zijn veertiendaagse schittering, in Samvat 2006 (het jaar 1949). Het was niet alleen dinsdag, maar ook een bijzonder gunstige dag. Sinds de vroege ochtend was ik vervuld van een opgewonden gevoel van inspiratie, vertrouwen en een vreugde die onuitputtelijk leek. Dit moment waarop de Heer en Redder van alle onderdrukten mij onder zijn hoede nam, was het gelukkige resultaat van al mijn vorige levens! In een bevlogen toestand nam ik het vaste besluit om diezelfde dag nog mijn huis te verlaten. Ik vertelde niemand van mijn besluit en liet alleen mijn vrienden en enkele mij goedgezinde mensen weten dat ik vertrok op een pelgrimstocht naar de bergen. Mijn vrienden wilden dat ik mijn vertrek uitstelde, omdat het volgens astrologische berekeningen geen goede dag was om te vertrekken. Toen dit werd voorgelegd aan de priester van de tempel van Moeder Durga, sprak de eerbiedwaardige man met verrukte stem, ‘Waarom zoeken naar een geschikt moment? Voor een toegewijde als U is ieder moment gunstig!’ Toen ik dit vernam uit de mond van een priester, betoonde ik mijn respect aan de Moeder Godheid en aan de aanwezige devotee’s en nam op datzelfde moment, om 10.30 de bus naar Almora in het Kumaongebergte.
De beroemde Pataldevitempel in Almora is heel oud. Sinds de oudheid is het de verblijfplaats geweest van vele grote heiligen en yogi’s. Bewijs hiervoor is de aanwezigheid van een grote hoeveelheid beeldhouwwerken die door hen zijn gemaakt. In de buurt van de tempel en de stad zijn een aantal riviertjes. Dit maakt de plaats uitermate geschikt voor hen die er spirituele disciplines willen beoefenen. Ook mij beviel de plek, maar nadat ik er drie á vier dagen had doorgebracht ontstond in mijn geest weer dezelfde behoefte. Diezelfde staat van diepe ontevredenheid die mij naar de Himalaya´s had gedreven bleef voortduren en het doel was niet verwezenlijkt. Dezelfde routine van eten, drinken, slapen en praten ging gewoon door. Als een zoeker lang in een plaats blijft omdat het er aangenaam is wordt het een obstakel, dus vertrok ik te voet uit Almora richting Kosi. Deze plaats aan de oevers van de rivier de Kosi is een halteplaats voor voertuigen. Er zijn enkele winkels en vanuit Almora is het zo’n vijf á zes mijlen bergafwaarts. Ik verzocht een oude winkelier mij een afgelegen plek te wijzen waar ik zou kunnen verblijven. Hij noemde mij de zonnetempel en vertelde mij enkele verhalen over haar grootsheid. Deze tempel bevindt zich op de gemakkelijke afstand van ongeveer een mijl vanuit Kosi. De weg gaat stijl omhoog en de naam van het dorp is Katarmal. Ik bleef in Kosi overnachten en vertrok de volgende ochtend in alle vroegte naar de zonnetempel. Het is een zeer aantrekkelijke tempel. Door de hoogte waarop het is geplaatst, kan men haar zien liggen tegen de achtergrond van een paar rijzige bergtoppen. Vlakbij is een bergstroom waarvan het water door de dorpelingen wordt gebruikt.
Ik maakte kennis met een aantal mannen, vrouwen en kinderen die mij probeerden over te halen voedsel aan te nemen. Ik weigerde echter hun aanbod omdat ik voelde dat dit de plek was die ik zocht; de juiste plek om te beginnen met vasten. Ik voelde een intense vrede zonder dat heden of verleden enige ongerustheid in mij opriep en zelfs de gedachte aan de Heer was op dat moment niet sterk op de voorgrond. Onder deze rust was een bijzonder intense emotie aan het werk, die ik met geen mogelijkheid kan beschrijven. Zelfs de onrust die door devotee’s wordt ervaren, de acht soorten verstoringen die je kunt aantreffen in personen die in beslag worden genomen door de studie van de heilige geschriften, waren er niet. Ook de eeuwige vrede en zaligheid, die aanwezig zijn in heiligen die afgestemd zijn op de niet gemanifesteerde Almachtige ontbraken. Ook was er niet de zichtbare inspanning die kenmerkend is voor diegenen die op zoek zijn naar het verwerven van bovennatuurlijke krachten en vervulling van die verlangens, welke op nederige en hulpeloze wijze worden gekoesterd. Vanuit het heden bezien is het zonneklaar dat deze prachtige gelegenheid een onverwachte oproep is geweest van de Heer van het Universum, die werkt voor haar wederopwekking. Zoals een rusteloze geest verdrinkt in afleiding zonder zich werkelijk bewust te zijn van de buitenwereld, zo zwierf ook ik als een reiziger die verzonken is in zijn eigen gedachten. Toen de geest uiteindelijk hogelijk verstoord raakte en zijn belangstelling voor het leven verloor maakte de genadige Heer, die zich altijd over de hulpeloze mens ontfermt, mij volgaarne tot reiziger op het pad der verlichting. Zijn opperste liefde en mededogen zijn voor ons de grootste zegen en daarmee schenkt Hij verlichting en zelfvertrouwen aan een verbijsterde mensheid.
Voor mensen zoals wij is het mededogen van de Almachtige alles. De compassie van de Heer Shiva schenkt zekere en Almachtige steun aan zijn toegewijde discipelen.
3) NAAR SIDHASHRAM
Om mij te behoeden voor de zon en de blikken van de mensen buiten, ging ik de tempel in. Men had er lang niet geveegd of stof afgenomen. Deze prachtige tempel was erg verwaarloosd en er werd zelfs geen dagelijkse eredienst meer gehouden. Ik was echter zo overweldigd door de rust en de koelte van de plek, dat mijn geest zich al gauw los maakte van uiterlijke impulsen en vrede vond in innerlijke contemplatie. Op dat moment verscheen er een bergbewoner. Het bleek een man te zijn van ongeveer vierentwintig jaar die op weg was naar de markt om wat huishoudelijke spulletjes te kopen. De weg naar de markt liep op een kleine afstand achter de tempel langs en de man was nogal verwonderd over het feit dat hij de tempel in was gegaan, zonder dat hij het van plan was geweest. Zodra hij binnen kwam maakte mijn geest een sprong naar hem toe terwijl ik hem strak bleef aankijken. Zonder de godheid van de tempel op enige wijze eerst te groeten, begon de man luid tegen me te praten, ‘Kom naar buiten, wat voor soort mens bén jij? De stank die hier hangt is zo vies, dat ik het niet eens kan verdragen en jij zit hier nu al zolang. Het is niet goed, je kunt er ziek van worden!’ Zodra hij het had gezegd, merkte ik de stank ook op en kon ik er geen moment langer blijven zitten. Niet alleen had de stank al enige dagen bezit genomen van de tempel, ook het hele gebied rondom was ervan doortrokken. Daarom hadden de dorpelingen het pad links laten liggen en haalden hun water nu via een omweg. Ook ik verliet de plek en op een flinke afstand ervandaan ging ik zitten. Mijn hart vulde zich met een onbeschrijfelijk gevoel van welbevinden en ik strekte mij uit op de rotsachtige bodem.
Ik had niet gemerkt dat mijn nieuwe kennis mij had gevolgd, omdat ik de ogen had gesloten om mij alles weer te binnen te brengen wat er was gebeurd. Toen ik na een poos de ogen weer opende, trof ik de man aan die mij aan keek en me met enige verwondering bestudeerde. Hij groette me en zei: ‘Maharaj, ik was op weg naar de markt vanwege een klus waar nogal haast mee is en om tijd te besparen heb ik in plaats van de gebruikelijke weg vanuit het dorp een kortere, vrij steile weg genomen. Waarom verliet ik het pad en betrad ik de tempel? Normaal gebruiken we deze weg altijd, zonder dat we ooit het verlangen hebben er naar binnen te gaan en de godheid te begroeten.’ Ik zei: ‘Dat is waar, als de mensen hier geloviger waren geweest, dan hadden ze nooit toegestaan dat de tempel zo in verval was geraakt.’ Zonder acht te slaan op wat ik zei, ging hij verder, ‘Maharaj, ik ben zo weer terug van de markt. Je kunt dan met me meekomen en ik zal je naar een fijne tempel brengen.’ Dat was precies wat ik wilde, dus ik vroeg hem terstond: ‘Wat voor plek is het?’ Hij sprak vol lof over de plek en vertelde me dat de plek ‘Shatrudra’ heette. Toen ik hem vroeg hoe het water er was zei hij lachend: ‘Maharaj, wat een vraag! In de wijde omtrek is er geen water te vinden zoals hier. Die plek is het Kashi (Benares) van onze bergen en staat bekend om haar heilige wateren. Vroeger waren er duizenden Shivalingams (phallusvormige steen als symbool van Shiva). Tegenwoordig kun je er nog wel vinden maar vele zijn door de dorpelingen uit de aarde gehaald bij het bewerken van hun akkers. Veel van die tempels van rechtopstaande Shivalingams liggen onder de oppervlakte begraven.’ Toen ik dat hoorde bekroop mij een groot verlangen om die plek te bezoeken. ‘Kan ik er alleen komen?’ ‘Dat is niet zo moeilijk,’ zei hij ‘maar ik zal je vergezellen en je kamandal (waterkom van een asceet) dragen. Zo houd je me gezelschap want ik vind je wel een aardige vent.’ Hij sprak snel en vervolgde: ‘De markt ligt ongeveer een mijl hiervandaan. Ik zal daar ongeveer twee uur nodig hebben en dan kom ik zo snel mogelijk terug.’ Het was op dat moment ongeveer tien uur.
Ik wachten duurde lang en geleidelijk aan werd het ook kouder. Ik maakte geen vuur en begon honger te krijgen en dorst. Uiteindelijk besloot ik dat de tijd, die de man had genoemd allang verstreken was en dat het dus niet verkeerd zou zijn als ik vertrok. Ik was zeer dankbaar dat hij me over die prachtige plek had verteld. In de ochtend, als de nacht voorbij was zou ik Shatrudra zeker vinden. Net toen ik aanstalten wilde maken om op te stappen, hoorde ik de man achter mij roepen en met tranen in de ogen en de handen gevouwen sprak hij: ‘Maharaj, vergeef mij, ik werd opgehouden. Ik heb zelf nog niet gegeten en U lijkt ook honger te hebben. Ga mee naar mijn huis, dan kunnen we er samen wat eten, dan koken we wat U maar wilt.’ Nog een moment verliezen door nog ergens anders naartoe te gaan, was mij haast te veel. Liefdevol zei ik daarom tegen hem: ‘Broeder, wijs mij Shatrudra, ik wil nergens anders heen. Waarom zouden wij bedelaars sowieso iemands huis bezoeken? Als er geen Shatrudra bestaat, zeg het me dan gewoon en ik zal het niet erg vinden.’ Zonder een woord te zeggen nam hij mij de waterkom uit handen en begon te lopen. Ik volgde hem. Het was een gevaarlijk pad van nauwelijks meer dan dertig centimeter breed, bedekt met kiezel en gras. De geringste onoplettendheid kon je het leven kosten. Als je voet even weggleed zou je in een diepte van enkele honderden meters vallen, een gewisse dood tegemoet. Iedere keer als ik hem uitgeput vroeg hoe ver het nog was, antwoordde hij steeds weer, ‘Een klein stukje nog.’ Na zijn dagelijkse pelgrimstocht legde ook de Zonnegod, die me hier heen had gestuurd zich achter Astachal (een mythologische berg in het westen waarvan gezegd wordt dat de zon zich erachter terugtrekt) te ruste. Mede door mijn angst voor het duister, maar ook door de snelheid waarmee de man liep, liep ook ik sneller dan ik ooit had gedaan. De nacht viel en met snelle pas trokken wij verder.
Toen het dag was konden we de slangen en andere kleine beesten nog zien die ons pad kruisten, maar nu het donker was zagen we niets. Nu voelde ik onbekende, giftige wezens over mijn voeten lopen en dat was eng. Terwijl ik in die onbeschrijfelijke geestestoestand verkeerde op dat onbekende pad, nam de man die mijn waterkom droeg in feite het resultaat van de Sanskara’s (invloed van vorige levens) van mij ontelbare geboortes op zijn schouders en begeleidde mij naar Shri Bhagawan. Ach, en ik had hem niet eens mijn respect daarvoor betoond. Het moet ongeveer negen uur s‘avonds zijn geweest, toen de man stopte en zei: ‘Mijn huis is op drie kilometer afstand van hier en mijn kind is ziek. Uw bestemming is niet ver meer. U hoeft deze weg maar te volgen. Als U wilt kan ik U erheen brengen, maar op de terugweg. Ik moet nog zesenhalve kilometer afleggen naar mijn zoon, want hij is erg ziek en er is niemand thuis.’ Ik werd vrolijk van de manier waarop hij sprak en, bang dat hij zou denken dat ik geïrriteerd was zei ik op vriendelijke toon: ‘Ik ben U buitengewoon dankbaar. U hebt me namelijk niet alleen de tempel van de heer Shankara gewezen, U heeft me zelfs ernaartoe geleid. Ik zal deze weg blijven volgen, ik leid nu eenmaal een reizend bestaan, gaat U maar naar huis en zorg goed voor Uw zoon.’ Hierop vertrok de man en doordat de nacht extra donker was door de bomen en de struiken, zag ik hem niet eens meer en wist ik ook niet in welke richting hij precies was gegaan. Maar zodra hij weg was, leek er een last van mijn schouders te zijn getild en voelde ik mij lichter. Ik had de neiging te gaan zitten en uit te rusten, maar ik kon nergens een plekje vinden.
Op een donkere nacht als deze moest ik op ongeveer drieduizend meter hoogte over een pad lopen dat nauwelijks breed genoeg was om mijn voeten neer te zetten, met enkel het vertrouwen in mijn Bhagawan om mij bij te staan. Ik had wel kunnen zitten op het nauwe pad, maar het gevaar was toch dat ik over gras of over kiezelsteentjes weg zou glijden. Daarom kon ik alleen wat rusten door iets langzamer te gaan lopen. Na ongeveer anderhalf uur vrij snel te hebben gelopen begon ik ongeduldig te worden, maar de verheven bergen bleven mij inspireren tot grote moed. En op dat hele lange eind had ik nog geen plekje kunnen vinden om even te gaan zitten en mijn benen te strekken. Zonder dat er sprake was van verbeelding leek het alsof ik in een bijzondere geestestoestand verkeerde. Mijn geest leek daarbij op te treden als een vertegenwoordiger van goddelijk kennis, alsof een tevreden vriend in gesprek was met zijn kameraad en hij hem vroeg hoelang hij nog verder dacht te moeten lopen. Ook hoorde ik het ritselen van slangen en het geluid van wilde dieren, maar door die bijzondere aanwezigheid in mijn geest aarzelde ik tussen angst en onverschrokkenheid. Het intellect was hulpeloos, trots was vals, de levenskrachten waren stil, de zintuigen kalm. Er waren geen aardse of spirituele conflicten; omdat ik alles had, was er niets. Een tiende van een miljoenste van deze bijzondere geestestoestand waarin ik mij bevond was nog met geen woord of pen te beschrijven.
Het leven drijft op hoop en de godin van de hoop gaf mij kracht. Terwijl ik verder liep zag ik in de verte een zwak licht. Ik wist zeker dat het een dorp moest zijn, maar hoe vond ik al klauterend mijn weg ernaartoe? Tussen mij en het dorp was een rivier en al stond het water er misschien niet zo hoog, in het donker zag het er toch gevaarlijk uit. Aan de ene kant was het licht en aan deze kant hoge bergtoppen. Met trillende benen, moe, zwak en gewond volgde ik de loop van de rivier, op zoek naar een pad dat er naar toe zou leiden. Na een poosje vond ik een smal pad en, ofschoon ik onderweg af en toe even moest gaan zitten bereikte ik na lange tijd eindelijk de oever van de rivier. Het water stond inderdaad erg laag, maar het was ijskoud en er lagen veel grote stenen in. Terwijl ik door de stroom waadde, voelde ik allerhande beestjes die allemaal verschillende geluiden maakten langs me heen, en soms zelfs vanonder mijn voeten vandaan schieten, waarna ze zich vrij in de donkere nacht verder bewogen. Daar ging over dit moeilijke pad en gedreven door een ondefiniëerbare impuls in diepe overpeinzing een reiziger wiens geluk of ongeluk door nog geen duizend monden van Shesnag (de mythologische slang met de duizend monden) kon worden beschreven. Ik dank U, o Genadige God, dat niets de mens kan tegenhouden die door U geroepen is. Nadat ik de rivier op een of andere manier was overgestoken, hoorde ik luid hondengeblaf. Perplex en verbijsterd vroeg ik mij af: ‘Zal Moeder Natuur nu door middel van deze honden mijn leven beëindigen?’ Het was alsof ik was verwikkeld in een grappige conversatie met de godheid waarin ik me telkens afvroeg: ‘Vriend, ben jij bang voor de dood? Is dit in feite niet een proef die je moet doorstaan?’
Ik stond stil en schreeuwde luid. Toen ik Hari Har, Sita Ram, Narayana en andere namen van God begon te roepen gebeurde het, dat er toevallig een paar vrouwen uit het dorp, klaar met hun huishoudelijke taken rond middernacht met een bepaalde bedoeling naar die plek waren gekomen. Misschien dat ze een of ander feest vierden. In de Himalaya’s verwelkomen de mensen bijvoorbeeld op uitbundige wijze de zomer. Ze keerden terug naar huis en vertelden het mannenvolk dat er een kluizenaar was die naar hen riep en het dorp niet binnen kwam uit angst voor de honden. Het moet na middernacht geweest zijn, toen er een man naar me toe kwam met een lantaarn en zei: ‘Je ziet er erg moe uit, kom mee naar mijn huis, eet en rust wat en in de morgen breng ik je naar Shatrudra.’ Maar hoe kon ik rusten en daarom antwoordde ik de man buiten adem: ‘Broeder, als het niet teveel gevraagd is, wil je me dan alsjeblieft niet nu naar Shatrudra brengen?’ Hij begreep me en bracht me met zijn lantaarn. Het lopen bij het licht van de lantaarn maakte dat ik rustiger werd. In het duister trapte ik in doornen en stootte ik mijn voeten aan stenen, zodat ze waren gaan bloeden, maar het stoorde me niet. Toen ik Shatrudra zag vergat ik alles en na alle moeilijkheden van de reis ontspande ik mij. De dorpsbewoner en ik gingen samen de tempel van Shri Shiva Bholanath binnen terwijl we beiden riepen: ‘Har Har Mahadev!’
4) SHATRUDRA
Shatrudra is een zeer oude plek. Het ligt in de buurt van Shyamadevi in het district Almora en wordt als heilige plek alom geroemd. Er zijn een stuk of twaalf tempels en ongeveer dertig á veertig shivalingams zonder tempel. Ook zijn er veel prachtige beelden van goden en godinnen van kunstzinnige waarde. Er is een gastenverblijf en een klein riviertje dat onder een eik door stroomt. Op een kleine afstand ervandaan bevindt zich een kleine vijver die door reizigers wordt gebruikt voor het rituele bad, waardoor het water er ietwat vuil uitziet. Het water uit het stroompje smaakt heerlijk zoet. Zodra ik ervan dronk, verdween al mijn honger en dorst. Bij het licht van de lantaarn vulde ik mijn waterkom en omdat het laat was liet ik de dorpeling naar huis gaan. Nadat ik nog wat water had gedronken en ik de godheid had geëerd, legde ik mij op de veranda van de tempel te ruste, waarna ik spoedig in slaap viel. Ik weet niet hoelang ik had geslapen, want al vrij gauw werd ik gewekt door de priester van de tempel, een Brahmaan die opgewonden naar me toe kwam, terwijl hij voortdurend de naam van Shiva herhaalde en zei: ‘Maharaj, zeg mij snel wat voor voedsel ik je moet brengen. Zeg het me snel, want de Heer Shiva Zelf heeft me streng toegesproken om me te laten weten dat er een hongerige asceet is en dat ik hem van voedsel moet voorzien. Mijn hart gaat nog steeds heftig te keer.’ Ofschoon ik geen enkele behoefte had aan eten zei ik om hem te kalmeren: ‘Het is al laat, ik eet wat je in huis hebt en zal alleen iets aanvaarden, als je er niet helemaal voor naar het dorp moet.’ Met een grote aarzeling zei de priester tenslotte: ‘Hier is niets.’ Hij begon te huilen en met verstikte stem zei hij: ‘Maharaj, of je nu eet of niet, ik moet het gebod van Bhagawan Shri Shankara eerbiedigen.’ Ik was verbaasd door de manier waarop de man het bracht. Ik was moe en mij hele lichaam deed pijn, vooral mijn voeten en hier was deze toegewijde van Shiva die huilde en het mij nog moeilijker maakte. Terwijl ik daar zo zat zei ik stilletjes tegen Bhagawan Sadashiva: ‘Laat U me dan nergens even rustig bijkomen?’ Precies op het moment dat ik dat dacht zei de priester: ‘Maharaj, je ziet er erg moe uit, ga maar slapen.’ Maar toen ik weer aanstalten maakte om te gaan slapen ging de priester de tempel binnen en struikelde bijna over een bundel op de grond. Hij voelde in het donker met zijn hand en ontdekte dat de bundel vol was met meel! Hij danste van blijdschap. Er werd met wat klein hout een vuur aangestoken en zonder de gebruikelijke ijzeren plaat bakte hij chapati’s en kookte hij wat bladgroentes die hij rondom de tempel vers had geplukt. Terwijl de priester aan het koken was, merkte ik op dat de hoeveelheid voedsel die hij aan het bereiden was genoeg zou zijn voor meerdere mensen. Hij was er echter van overtuigd dat wat Bhagawan gestuurd had ook allemaal gebruikt diende te worden. Het eten was klaar en vanwege het late uur offerde ik het alleen in gedachten eerst aan Shri Bhagawan voordat ik zelf at. Ik had in mijn leven nog nooit zoveel gelopen als op die dag, dus at ik ook zoals ik nog nooit eerder had gedaan. Niet alleen was het voedsel lekker, het was ook prachtig. Na het eten legde ik mij te slapen in de open ruimte vlakbij de tempel. De priester echter, die bang was voor tijgers sliep in de gesloten ruimte van het gastenverblijf. Hij vertelde me een aantal vreselijke voorvallen, maar tegen die tijd was ik al in extase en viel ik langzaamaan in slaap. Ik had prachtige dromen.
Vroeg in de morgen arriveerden er veel pelgrims die allen blij en opgewonden waren. Men houdt het voor zeer gunstig om in dit pelgrimsoord te baden, de naam van God te reciteren of het de priesters voor je te laten doen. Ook wordt het als zeer gunstig gezien om op die plek de heilige geschriften te lezen en de godheid te baden. De priester en wat wijze Brahmanen wilden mij daar houden, maar na de middagmaaltijd en wat gezegend voedsel uit de tempel te hebben genuttigd vertrok ik. Al was de plek in alle opzichten nog zo geschikt, ze voldeed niet aan mijn behoefte en daarom vervolgde ik mijn reis, nadat ik er maar een nacht had doorgebracht. Toen ik ruim drie kilometer had afgelegd keek ik achterom. Dat was logisch, want voor me was een snelstromende rivier die je alleen kon oversteken door over een nogal smalle boomstam te lopen. De mensen uit de omgeving waren eraan gewend en schrokken er niet meer voor terug om een dergelijk soort brug over te steken. Bij mij begonnen bij zoiets echter de benen te trillen. Op mijn pelgrimstocht naar de Kailash, de heilige berg van Shiva had ik dit vaker mee gemaakt. Toen ik angstig en hoopvol achterom keek, zag ik dezelfde priester die ik in de Shivatempel van Shatrudra had achter gelaten, met een grote glimlach op zijn gezicht. Op een toon waaruit aanhankelijkheid sprak vertelde hij me dat mijn vertrek hem ongelukkig had gestemd en dat hij een poosje bij me zou blijven om mij te dienen. Ik deed er alles aan om hem te overreden het niet te doen maar hij wilde er niet van weten. Hij kwam naar voren en terwijl hij met een paar vlotte bewegingen mijn waterkom en wat kleren van mij afnam zei hij op blijde toon: ‘Kom maar achter me aan en houd mijn hand maar vast.’ Nu ik mijn handen vrij had stak ik met trillende benen over, terwijl de man voor mij uit liep. We kwamen door een dicht woud waar we bij iedere stap het gevaar konden tegenkomen. Bij een grote banyanboom maakten we een korte stop om even uit te rusten en wat water te drinken. Daarna vervolgden we ons pad. Onderweg praatten we over de Himalaya´s en vooral over de heiligen die er verbleven. Ik vroeg de priester naar zijn naam en hij zei dat hij Radhey heette. De naam vervulde mij met blijdschap en gedurende heel de tijd dat hij bij me bleef noemde ik hem bij deze heilige naam. ‘Radhey, wat is de dichtstbijzijnde plaats waar ik een bus kan nemen?’ vroeg ik hem. ‘Ik ben erg moe, heb moeite met lopen en wil nu naar Shri Badrinarayan.’ Hij vertelde me dat er een weg was die naar Shitlakhet leidde, maar dat er geen busdienst was. Hij werd alleen gebruikt door auto’s en vrachtwagens. Toen Radhey mij dit vertelde, besloot ik direct naar Shitlakhet te gaan en daar de bus te nemen om via Haldwani naar Hardwar te reizen. Ineens waren mijn plannen veranderd. Daarom dat ik mijn vrienden dikwijls voorhield, dat de wil van de Heilige en Compassievolle Heer altijd geschieden moet. Zelfs in deze moderne wereld waarin ongeloof heerst en waarin men enkel aardse waarden nastreeft, ondanks dat ze tot vernietiging leiden schijnt het vreemde, onbeschrijfelijke en schijnbaar onmogelijke drama zich te voltreken om ons uiteindelijk een blik te gunnen op Zijn almachtige en gelukschenkende glorie.
Ik legde Radhey uit dat mijn plannen veranderd waren: ‘Ik ga nu naar Shitlakhet en jij moet terug naar huis. Ik blijf niet langer in dit gebied.’ Hij wees met zijn vinger naar een zestal witte huisjes in de verte en legde uit dat dat Shitlakhet was, op ongeveer zes kilometer afstand. Ik begon in de aangewezen richting te lopen, maar omdat Radhey zo bedroefd was dat we uit elkaar moesten gaan zette ik me naast hem neer om hem te troosten. We hadden het over religie, toen hij plotseling zijn handen vouwde en zei: ‘Maharaj, boven op deze berg is de heilige en zeer oude tempel van Shyahimata, die moet U zien. Ik heb hem ook al lang niet meer bezocht, daarom zullen we vandaag samen gaan en zullen we de godheid eren.’ Mijn hoofd stond er helemaal niet naar om tempels te bezoeken en gebeden aan te heffen, of het gezelschap van brave mensen op te zoeken. In feite wilde ik niets van dat alles. Mijn enige gedachte was om de Almachtige Heer in zijn totaliteit te mogen aanschouwen en daarom zei ik op enigszins onverschillige toon: ‘We bezoeken altijd maar heiligdommen, waarom zouden we zo hoog gaan klimmen, ik voel me nog zwak.’ Toen hij dat hoorde begon Radhey te lachen, want ik had de afgelopen tien dagen helemaal geen aandacht aan mijn lichaam besteed, maar dankzij de Heer kon niemand dat aan me zien en daarom lachte hij. ‘U bent een sterke asceet en het zou U geen enkele moeite kosten omhoog te klimmen.’ Nadat hij dat had gezegd, bleef hij stil. Ik legde zijn aandringen uit als een gratie van de Godin en snel volgde ik hem op weg, om de plek te gaan bezoeken. Het pad was erg stijl maar in rap tempo en met gemak beklom ik het in een mum van tijd. Ik voelde me als een kind die met een brede glimlach in zijn moeders schoot zit en omhoog wordt gedragen. Dit is geen geval van overdrijving, maar een waarachtige realisatie van Haar gratie.
5) SHRI SHYAMADEVI
Syahidevi of Shyamadevi is een oud en beroemd bedevaartsoord waar de moedergodin Bhagavati wordt vereerd volgens het Tantrische Systeem. Deze machtige tempel ligt op ongeveer zevenendertighonderd meter hoogte precies op de top van een berg en verkeerde in een rampzalige staat. Daar op de top is ook een vijver die weinig water lijkt te bevatten, maar hoeveel mensen er ook in baden en al is het nog zo heet, het lijkt alsof het water nooit minder wordt. Ofschoon het klimaat er bijzonder koud was, groeiden er ook verschillende soorten eetbare granen. Op een of andere manier voelde ik me er wel op mijn gemak en op aandringen van de priester gebruikte ik er het avondmaal. Hij liet flink wat brandhout voor mij achter en zei op zeer dringende toon: ‘Als je buiten slaapt steek dan een vuur aan. Meer nog dan tegen de kou zal het je tegen de tijgers beschermen. Als ons vee per ongeluk ’s nachts buiten wordt vergeten is er weinig kans dat het ’s ochtends nog in leven is.’ Nadat hij me dit had uitgelegd, ging hij naar huis en na een poosje ging ook ik tevreden slapen. Het was lang geleden dat ik zo had geslapen, zo diep als je kunt slapen in je Moeders schoot. De volgende ochtend werd ik vroeg wakker en nadat ik een bad had genomen, mijn respect had betoond aan de Godin van de tempel en mijn ochtendmaaltijd had gebruikt ging ik op een stenen plaat in de zon zitten. Terwijl ik daar zat en mij de woorden te binnen schoten van de lofzang aan Durga, die ik uit mijn hoofd kende kwam er een man aan die met grote toewijding Sanskrietverzen reciteerde ter ere van de Godin Moeder. Hij nam een bad, sprak gebeden uit, offerde voedsel aan de Godheid en gaf ook mij een deel. Vervolgens raakten de priester en ik in gesprek over religieuze zaken. Na een poos, zo ongeveer tegen een uur of twaalf zei de Brahmaan: ‘Ik stap op, wat zijn Uw plannen?’ Ook ik was van plan te vertrekken, ondanks dat de priesters op me gesteld leken te zijn en ze me meerdere malen melk, yoghurt, thee en zoetigheden hadden aangeboden. Ofschoon ik hen dringend had verzocht het niet te doen hadden ze een groot ritueel vuur aangestoken. Ik vertelde de Brahmaan dat ik naar Shri Badrinarayan wilde, maar dat er van hieruit geen bussen liepen. Omdat hij mij voorkwam als een ontwikkeld man, besloot ik hem te vragen mij een pad te tonen, waarlangs ik te voet daar heen zou kunnen gaan. Hij stelde zich aan me voor en vertelde dat hij onderwijzer was. Hij zou een kaart voor me tekenen waarmee ik Haldwani kon bereiken, zonder naar de weg te hoeven vragen. Hij vertelde dat ik onderweg in Dronagiri nog een tempel van de Goddelijke Moeder zou tegenkomen en omdat er over Dronachal in het godenepos van de Ramayana wordt gesproken, kreeg ik zin om ook die plek te bezoeken. Ik verzocht Radhey naar huis terug te keren en nadat ik afscheid had genomen van de Godin Shyama, zette ik mij rond twee uur op pad. De onderwijzer vergezelde me tot aan Shitlakhet terwijl hij mijn waterkom en mijn kleren droeg. De weg naar Shitlakhet was een afdaling van ongeveer drie mijl.
Wat kan ik nog zeggen over de schoonheid van de Himalaya’s? Het was een aaneenschakeling van plaatjes die van een ongekende schoonheid waren, maar mijn gedachten waren enkel gericht op de Heer Shiva: Satyam, Shivam, Sundaram (Hij die waarheid is, goedgunstig en vol schoonheid). De pracht van het landschap dat aan mij voorbij trok, kon me niet boeien en in mijn geest bad ik tot de Moedergodin: ‘Moeder, er zijn zoveel bomen in de wereld, maar nergens een plekje waar ik me kan terugtrekken!’ En zo, al pratend en schertsend met mijn Moeder kwam ik aan in Shitlakhet.
6) SHITLAKHET In Shitlakhet zijn ongeveer tien á vijftien winkels en een centrum van de ‘All India Scouts Association’, die er een herdenkingsgebouw heeft neergezet. Ook woont hier een oude en welbekende heer, wiens naam Shiromanji Pathak is. Ik ben hem veel verschuldigd want hij heeft me niet alleen over Sidhashram verteld, hij heeft er ook op gestaan dat ik die plek zou bezoeken. Zodra hij mij zag aankomen stond hij op uit zijn stoel en begroette me opgewonden met ‘Vader’, alsof het een weerzien betrof met een dierbare kennis, die lange tijd was weg geweest. Hij liet me plaats nemen in zijn stoel en liet me allerhande zoete vruchten eten zoals appels, peren, abrikozen en dergelijke, die alle uit zijn tuin kwamen. Omdat het bijna zonsondergang was kondigde ik aan dat ik op zou stappen. Hij deed echter alsof hij me niet had gehoord en hij terwijl hij zich tot de onderwijzer wendde die me had vergezeld, zei hij op strenge toon: ‘U kunt verder gaan als U wilt, wie kan er immers een heilige gezelschap houden? Baba blijft vandaag hier.’ Na wat te hebben uitgerust, vertrok de onderwijzer en ik begon een gesprek met de oude emotionele man. De plek beviel me. We zaten buiten op de veranda van een gebouw met twee verdiepingen en tegenover ons was een hoge berg die extra mooi was omdat haar top met sneeuw was bedekt. De mensen spraken Shiromanji aan met de eretitel ´Bhagawan´ (Heer). Hij had een bijzondere aard. In momenten van extase huilde, lachte of danste hij en leek hij buiten de tijd te bestaan. De zon ging onder en na onze avondmaaltijd gingen we zitten, waarbij Shiromanji met zijn waterpijp op een kleine afstand van mij af plaats nam. Na een paar trekjes aan zijn waterpijp, vroeg hij met een ietwat mysterieuze glimlach: ‘Weet U wel op wat voor plek U daar zit?’ Ik begreep niet wat hij bedoelde, maar hij legde me uit: ‘De eerste, de allereerste keer dat Bhagawan Shri Haidakhandi hier is geweest hebben zijn Lotusvoeten precies op die plek voor het eerst de grond geraakt.’ Bij het uitspreken van die woorden raakte hij in en soort extase. Deze man was een toegewijde van asceten en heiligen en als hij voor mij al een dergelijk respect en eerbied aan de dag legde, dan was het niet te verwonderen dat de grote wijzen van de Himalaya’s bij hem zulke overweldigende emoties losmaakten. Er leven hier zoveel van die Groten dat het mij niet verbaasde dat hij hen zo eerbiedigde. Door deze gedachten in beslag genomen lette ik niet zo goed meer op zijn woorden, maar nadat hij mijn aandacht weer op zich had weten te vestigen vervolgde hij: ‘Hij is Bhagawan in eigen persoon! Ik ben niet geschoold, maar toch citeer ik dankzij de gratie van deze Grote Persoon gedichten. Ik ben geboren in een arme familie van Brahmanen en ik had op deze zelfde plek een klein theestalletje in een plaggenhut. Tegenwoordig bezit ik in Shitlakhet vele boomgaarden, winkels en gebouwen. Dit alles heb ik te danken aan de gratie van deze Grote Persoon. Wat kan ik U nog meer vertellen? Hij heeft er ook voor gezorgd dat ik Bhagawan heb mogen aanschouwen.’ Toen hij het verschijnen van Shri Bhagawan noemde spitste ik extra de oren en verzocht Shiromanji vriendelijk mij meer over Hem te vertellen. Toen hij mijn verzoek hoorde, brak hij in tranen uit en heftig snikkend begon hij te vertellen, maar doordat hij zo opgewonden was, hervond hij pas na een flinke poos zijn normale evenwicht weer. Opnieuw maakte ik hem kenbaar hoezeer ik op zijn relaas was gesteld. Zijn opgewonden toestand overtuigde mij ervan dat hij, hetgeen hij me over dat Grote Wezen vertelde ook werkelijk met eigen ogen had gezien. Vervolgens begon Shiromanji met melodieuze stem verzen te zingen die hij zelf had gecomponeerd en die als hoofdthema hadden: ‘O Baba, je hebt ons verlaten. Ik ben alleen tussen al deze wezens van de Kaliyuga (tijdperk van grote transformatie).’ Toen ik hem die woorden zo vol gevoel hoorde uitspreken, was ook ik een moment in de ban van mijn emoties. Er wordt wel gezegd dat ‘Alleen degene die van zijn geliefde is gescheiden een ander kan begrijpen die in dezelfde toestand verkeert,’ en dat is precies wat er gebeurde. Op dit inspirerende moment, in de stilte van de nacht dreven we beiden op de prachtige golf van een devotionele stemming. Shiromanji keek me aan en begon geforceerd te lachen, om ook mij aan het lachen te krijgen. Na een korte stilte begon Shiromanji mij te vertellen over de wonderlijke gebeurtenissen die waren voorgevallen rondom Shri Bhagawan Haidakhan Baba. Ik vroeg hem onder welke omstandigheden hij voor het eerst door het visioen van Shri Bhagawan was gezegend. Toen ik dat had gevraagd begon hij weer te huilen. Ik probeerde hem te kalmeren door te zeggen dat deze Grote Wezens overal zijn en dat ze dus ook vandaag hier bij ons aanwezig waren. Ik vroeg hem nogmaals mij het verhaal te vertellen van zijn Heilige Zelf, want ik werd een beetje ongeduldig en wilde het verhaal graag horen. En zo begon Shiromanji zijn verhaal: ‘Een uur voordat mijn oom stierf zei hij ‘Kijk eens hoe lieflijk Hij is! Shri Baba is hierheen gekomen om mij te redden, geef hem iets om op te zitten, aanbid Hem!’ De aanwezigen dachten dat hij ijlde maar in werkelijkheid schonk Shri Sadashiva hem bevrijding door zich in Zijn glorieuze vorm aan hem te tonen.’ ‘Vanaf dat moment,’ zei Shiromanji, ontstond ook in hem het verlangen Hem te mogen aanschouwen. Het werd een overweldigend verlangen, maar hoe kon hij het in vervulling zien gaan? Hij had verhalen gehoord over Zijn prachtige verschijning, maar was tot dan toe nooit met het visioen van Zijn vorm gezegend. Op een dag kwam er onverwachts een groep van ongeveer tweehondervijftig mensen naar zijn huis, die een stuk of vier draagstoelen met zich meevoerden. In de mooiste ervan, statig omgeven door een grote groep rijke en respectabele mensen die allen de handen gevouwen hadden, zat een grote genadevolle Wijze. Hij droeg een lang hemd en muts met oorflappen en Zijn gezicht was getooid met een liefdevolle glimlach, waarmee Hij alle leven om zich heen leek te zegenen. Ten tijde van dit gebeuren had Shiromanji een wond die lelijk ontstoken was. Zodra hij hoorde dat Shri Bhagawan eraan kwam holde hij blij op Hem af. Op de houten trap gleed hij echter uit waarbij een splinter zijn voet binnendrong. Hij viel naar beneden en verloor het bewustzijn. De mensen om hem heen maakten zich zorgen over hem, maar Shiromanji lag intussen in de genadevolle schoot van de Meester en verkeerde, volledig vervuld in een staat van nectarzoete vrede; zijn trance zou zelfs die van de Brahman Rishi´s (wijzen) uit het verre verleden hebben doen verbleken. Na een rust van een paar uur trok Shri Maharaj weer verder met de groep aanbidders, die intussen was uitgegroeid tot een paar duizend man. Hoewel Shri Maharaj geen vast reisplan had kwamen er als vanzelf, waar hij ook kwam duizenden mannen en vrouwen bijeen. Bij het nieuws dat Hij eraan kwam, bleef er zelden iemand thuis. Zonder dat er vragen of antwoorden nodig waren ervaarden de mensen enkel bij de aanblik van Hem al vrede. Hoogontwikkelde Sanskrietgeleerden, ministers, sociale hervormers en koningen kwamen Hem opzoeken. In de aanwezigheid van deze grote ziel werd alles in gelijke mate voor iedereen toegankelijk; leiding op weg naar het doel van alle leringen, inzicht in de problemen op het pad van zelfrealisatie en in de praktische wegen die leiden tot het verwerven van innerlijke vrede door de realisatie van Brahma. De altijd liefdevolle uitdrukking op Zijn gelaat, de compassievolle blik, de goedaardigheid van zijn uitstraling, de spontane bewegingen als van een kind en het tengere lichaam gestoken in hemd en muts oefenden op iedereen een bovennatuurlijke aantrekkingskracht uit. Het weinige voedsel dat Hij tot Zich nam was meestal op basis van granen. Verder dronk hij veel karnemelk. Shiromanji vertelde me hoe hij in de elfde maand van het Hindu-jaar tijdens de strenge winterperiode, als er meer dan een meter sneeuw valt van huis tot huis had moeten gaan om karnemelk te vragen voor Shri Maharaj, die het dronk als water. Zijn lichaam verspreidde een bovennatuurlijke geur die na Zijn vertrek nog wel een uur of twee bleef hangen. Als hij de palmen van Zijn handen opende, werden zijn volgelingen haast bedwelmd door de goddelijke geur. Zijn haar werd nooit langer en Hij sliep nooit. Shiromanji heeft zes maanden met Hem samengewoond en heeft Hem nooit zien slapen. Soms nam Hij yogahoudingen aan. Hij stond toe gekleed te worden maar vroeg nooit om kleren. En al waren er fijne kleren, hij droeg ze nooit. Zijn volgelingen gaven hem kostbare kleren, gouden munten en vele andere dingen van waarde cadeau, maar hij gunde deze wereldse dingen zelfs geen blik waardig. Alleen om zijn volgelingen een plezier te doen speelde Hij soms een minuut of tien, een kwartiertje met de dingen, als een kind en dan konden ze zomaar belanden in de handen van iemands anders. Voor Hem bestond geen verschil tussen dingen van Waarde en stof. Vriend of vijand, bewonderaar of kwaadspreker, zondaar of heilige; in Zijn ogen had iedereen recht op zijn genade. Shiromanji vertelde me een reeks wonderlijke en onvoorstelbare verhalen over Zijn bovennatuurlijke handelingen, waarvan hij naar zijn zeggen zelf getuige was geweest. Gezien mijn twijfelachtige natuur vroeg ik me soms af of zijn verhalen op waarheid berustten en dan zwoer Shiromanji op zijn hart, zijn leven, zijn zoon of op wat ik maar wilde, dat alles wat hij me vertelde waar was. Het ontbrak mij toentertijd aan vertrouwen en ik kon niet anders dan in die bovennatuurlijke dingen geloven. Urenlang spraken we met elkaar. Ofschoon ik niet geneigd was te bidden, religieuze verzen op te zeggen of over religieuze onderwerpen te praten, realiseerde ik me dat ik deze gesprekken toch zeer boeiend vond; ik werd er onweerstaanbaar door aangetrokken. Wat Shiromanji met zijn verhalen in feite beweerde, was dat Shri Haidakhan Baba God Zelf was. En hoe buitengewoon was deze mens geworden God inderdaad! Alle zes de eigenschappen die aan de Heer zelf worden toegekend, waren op wonderlijke wijze aanwezig in het glorierijke lichaam van deze almachtige Heilige. Op meer dan één gelegenheid zag hij met eigen ogen hoe doden weer tot leven werden gewekt, hoe ongeletterden opeens welbespraakt werden en begonnen te dichten, hoe kinderloze mensen kinderen kregen en zij die in financiële nood verkeerden onvoorstelbare rijkdommen verwierven. Volgelingen die op zoek waren naar goddelijke kwaliteiten, zagen al hun wensen in vervulling gaan en verwierven macht over het occulte. Zij die gebukt gingen onder de drievoudige smarten, de adhyatmische (psychische), adhidaivische (spirituele) en adhibhautische (fysieke) verkregen de eeuwige vrede. Allen die op zoek waren naar verlossing, Indiërs maar ook Europeanen en heilige mannen uit Tibet vonden realisatie door alle vrees te laten varen en Zijn gulle bescherming in te roepen. Mensen van uiteenlopende religieuze paden en levensvisies en trouwe devotee’s zagen hun hoop in vervulling gaan door zich te vleien aan de voeten van Shri Babaji. Het goede gezelschap en de verhalen van Shiromanji hadden ten doel om dit aan te tonen en keer op keer bezwoer hij me opgewonden dat alles op waarheid berustte. Het was laat toen hij uiteindelijk naar boven ging om te slapen en ook ik mij te ruste legde, nadat ik tot mijn Guru had gebeden. Totdat ik in slaap viel bleef ik echter in gedachten. Ik bedacht dat er zoveel verschillende heilige wezens in deze wereld waren en ik bad de Goddelijk Moeder of Ishwara ervoor te willen zorgen, dat zich altijd een gedegen kennis van hun essentie in mijn herinnering zou mogen bevinden! Moge ik altijd, dag en nacht gelukkig verblijven in mijn geliefde Heer. Het was zeker, dat deze grote Wijze God Zelf was. In heldenepossen als de Ramayana en de Mahabharata werden zulke bovennatuurlijke gebeurtenissen beschreven. Tegenwoordig kwam je zulke machtige persoonlijkheden in de wereld niet meer tegen. Zou Hij echt mijn geliefde Heer zijn? Het was een groot voorrecht een mens te mogen ontmoeten, die de nectar had geproefd van het directe contact met God en wiens handen zijn voeten hadden beroerd. Ach, wat gebeurde er allemaal in mijn leven! Soms had ik zorgen en soms was ik blij. Het was de elfde dag sinds ik uit Haldwani was vertrokken, maar zulke goddelijke helderziendheid en zulke prachtige ervaringen had ik eigenlijk nog nooit meegemaakt, niet op die pelgrimstocht en ook niet in de rest van mijn leven. Ik vouwde mijn handen in een geste van eerbied en groette Shri Babaji meerdere malen nederig. In eerste instantie boog ik in de stilte van de nacht enkel in gedachten voor Hem, maar dat bevredigde mij niet. Daarom stond ik op, boog eerbiedig voor Hem en was tevreden dat Shri Bhagawan mijn nederige groet had aanvaard. In mij hart gaf een helder klinkende stem mij de bevestiging dat Hij inderdaad Shri Bhagawan was. Zulke macht en een dergelijke compassie kunnen alleen aanwezig zijn in een Avatar (God in een menselijk lichaam). Och, welk een eenvoud vulden Zijn dagen! Hij was zo oneindig groot. Toch verhulde Hij Zijn grootheid, terwijl Hij vol mededogen Zijn Goddelijke Schittering in het leven van gewone mensen bracht! Vervuld van die gedachten viel ik in slaap. Bij zonsopgang kwam Shiromanji naar mij toe en bestelde wat melk voor mij. Opnieuw spraken wij over Shri Maharaj. Het onderwerp van die dag was de stichting van Sidhashram. Terwijl hij aan het vertellen was, zei hij in ietwat opgewonden staat: ‘U zult Natuurlijk weer verder reizen. Als je de berg afdaalt vind je op ongeveer achthonderd meter van hier de ashram van Shri Baba Maharaj en een riviertje, dat er vlak langs stroomt.’ Omdat het me een plek vol rust leek, doordrongen van devotie voor Shri Babaji, voelde ik me erg tot dit heiligdom aangetrokken. Shiromanji bood aan zijn zoon met mij mee te laten gaan, maar de jongen had niet zoveel zin om zo vroeg in de ochtend zonder enige aanleiding naar de ashram te gaan. Ik drong er daarom niet op aan dat hij me zou begeleiden en precies op dat moment arriveerde de priester van die ashram zelf. Ik kende de man niet, maar Shiromanji riep blij uit, ‘Het is Baba zelf die je roept, deze priester is van Zijn tempel!’ Toen we hem ernaar vroegen antwoordde de priester dat hij zonder een specifieke reden hierheen was gekomen. Aangezien hij dus kennelijk geen andere reden was voor zijn komst, overhandigde Shiromanji hem mijn bezittingen en zei met diep ontzag: ‘Zorg goed voor hem, ik had al lange tijd niet meer het geluk een heilige te mogen ontmoeten.’ 7: SIDHASHRAM Samen met de priester kwam ik aan bij de ashram. Geen dichter zou de schoonheid van die plek kunnen beschrijven. Geen schilder zou haar juist hebben kunnen weergeven. In de ashram is een soort bungalow waar reizigers kunnen uitrusten, een Vaishanvi Devi tempel waar een krachtig riviertje langs stroomt en een kluizenaarshut. Op het hoogste punt bevindt zich nog een hut, van waar men uitziet op de Nandakot, de Badrinarayan, de Nilkanth en vele andere met sneeuw bedekte bergtoppen. Op enige afstand van de hut waren twee ceders met de namen Nar en Narayan. De priester zei me daar te gaan zitten en dat over het algemeen geen sadhu (bedelmonnik) of pelgrim toestemming krijgt om in de hut te verblijven. In de hut waren enkele foto´s van Shri Maharaj, Zijn mala (bidsnoer), een aantal boeken over Durga en Vishnu, de Gita en bepaalde rituele voorwerpen, die door niemand mochten worden gebruikt. Door Gods genade opende de priester echter het slot zodra we er arriveerden. Ik begroette de foto’s, maakte pranam en raakte plots in een staat van hoogste opwinding; wat was dit? Dit waren foto’s van mijn Gurudev, die lang geleden mijn hart had veroverd toen ik student was. Ineens twijfelde ik. Was het mogelijk, dat deze heilige door zijn grote aantrekkingskracht in mij dezelfde liefde en eerbied had opgeroepen als die welke ik voor mijn Gurudev had gehad? Zowel in mijn geest als in mijn ziel woedde een grote tweestrijd. Ik had hem maar heel kort gekend en hoewel ik van jongs af aan had gemediteerd, was ik toen nog erg jong en onervaren in dit soort zaken. Soms moest ik aan Dhruva denken, aan wie de Heer op jonge leeftijd in een visioen was verschenen. Ondanks mijn jeugdige leeftijd dacht ik toen al, dat het beter zou zijn te verdrinken in de Ganges dan zo te moeten leven! Heel mijn leven ben ik al gekweld door conflicten. Ik was jong, had grote twijfels en had ook geen kennis van de Shastra´s (heilige boeken), maar de honger die in mij was om het Allerhoogste Zelf te leren kennen was groot. ‘Ware kennis schenkt bevrijding,’ anders is het de naam ‘kennis’ niet waard. Meerdere malen legde ik deze visie met grote nadruk en overtuiging voor aan mijn minder serieuze medestudenten. Tijdens onze discussies vroeg ik hen bijvoorbeeld: ‘Waar waren de Nyaya (rechtvaardigheids) Shastra’s voor de komst van Maharishi Gautama?’ ‘Welke Yoga Shastra’s las Maharishi Patanjali voordat hij de Yoga Sutra’s schreef?’ ‘Welke Bijbel had de Mahatma (grote ziel) Jezus gelezen, voordat hij de Bijbel bracht die ontelbare mensen heeft gered?’ ‘Welk boek had Guru Nanak gelezen met zijn bovennatuurlijke krachten, zodat hij de heilige schriften van de Sikhs kon op tekenen?’ Zelfs nadat hij kennis had verworven over allerlei gebieden van het leven, had de Boeddha de vrede nog niet verworven. ‘Op welk heilig boek had Bhagwan Boeddha gemediteerd, om met die naam bekend te kunnen worden en een boek als Dhammapad te kunnen schrijven, dat zo eenvoudig en verstaanbaar is en vol instructies?’ Toen ik dus op jonge leeftijd door dergelijke conflicten werd geplaagd, maakte Bhagawan (de Heer) mij tot Zijn leerling. Ofschoon ik Zijn Grootsheid niet helemaal kon bevatten had ik, mede dankzij mijn toegewijde ouders de vaste overtuiging, dat mijn liefde voor Hem zo diep in mij was geworteld dat ze, zo diep verankerd nog vele levens in mij zou blijven voortbestaan. Hem die ik had gevonden en tot mijn Guru had gemaakt, Hij die Zijn genade had getoond door in mijn meditaties te verschijnen, Hij alleen was het waard door mij te worden vereerd. Hij zou mijn leven besturen. Maar hoe dan ook, ik kon mijn ogen niet van de foto afhouden. Op die twaalfde dag van mijn pelgrimstocht wisselden stromen van pijn en blijdschap elkaar voortdurend af. Het was volgens de Hindukalender de eerst dag van de donkere helft van de vierde maanmaand en ik at die dag een maaltijd. Ik was van plan geweest vanaf die dag te vasten. Maar nadat ik mijn bad had genomen en mijn dagelijkse rituelen had verricht, had ik mij in de kamer te ruste gelegd. In mijn slaap verscheen Vaishnavi Devi aan me, die daar door Shri Maharaj (Haidakhan Baba) was geïnstalleerd en zei: ‘Broeder ik heb honger.’ Toen ik die woorden hoorde was ik ineens klaarwakker en begon te huilen. Toen ik hem ernaar vroeg vertelde de priester me, dat er inderdaad af en toe voedsel en zoetigheden aan de godin werden geofferd. Ik maakte direct een offerande van voedsel aan de Godin en aan mijzelf en terwijl ik mijn idee om te vasten liet varen, deelde ik mee in de offergave. O Moeder vol van Compassie, Opperste Moeder van het Universum, je hebt Zelf geen honger. Maar de honger van een van je kinderen zoals ik, is uiteindelijk ook Jouw honger. Goddelijke Moeder, jij die alle levende wezens aan je bindt door hun honger naar jou. Een van de manieren waarop ik tot Shri Maharaj bad was: ‘Heer, U bent God. Deze gedachte heeft zich vast in mijn geest genesteld. Waarom doet U er zolang over om aan mij te verschijnen? Ik ben maar een slecht en verwaand mens; hoe moet iemand als ik het klaarspelen om te vasten en sober te leven! Als er tussen ons niets is, toont U zich dan alstublieft aan me en zeg mij dat mijn geloof onterecht is en berust op vergissing. Maar als U mijn Guru bent, verschijn dan aan me en schenk mij vrede.’ Ja, dat was toen het enige wat ik kon denken, ik had niet de concentratie om japa te doen (de herhaling van Gods naam) of te mediteren. Ik kwam zaterdag aan op de ashram en weet niet hoe ik de zaterdag de zondag en de maandag ben doorgekomen. Ik at een maaltijd per dag en door Bhagawan’s genade sliep ik uitstekend. Op maandag, de derde dag van de maand werd ik meerdere malen wakker. Ik stond dan op, liep zonder enige angst door de ashram en keerde af en toe weer terug naar mijn kamer. Zo ging het maar door. ‘Wat voor zin heeft het mijn tijd zo door te brengen?’ vroeg ik me af. Al zou Hij aan mij verschijnen en me daarna totaal vergeten; op dat moment kon ik zonder Hem niet leven! O geest, vergeet Hem volledig en verlies je in materiële weelde en gemakken, óf wend de macht van je ziel aan en leg je hoofd aan de voeten van je geliefde.’ Uiteindelijk besloot ik vanaf de volgende dag te vasten, als het moest tot aan de dood toe, of totdat Shri Maharaj mijn twijfel helemaal zou wegnemen. Ach, wat een blijde gebeurtenis zou die dag vol twijfels uiteindelijk voor mij in petto blijken te houden. Die vierde van de maand bleek ook nog eens de dag te zijn van het feest van Ganesha (godheid met olifantenhoofd die alle obstakels verwijdert). Juist op die dag kwam het contact tot stand met Hem, die alles geeft wat goed is in deze wereld, degene uit wie voortdurend een stroom van nectar vloeit en die geluk schenkt door de realisatie van Eenheid in Verscheidenheid. In het Hindujaar 2006 (1949), op de vierde dag van de donkere helft van de maanmaand, op een dinsdag had Bhagawan voorbereidingen getroffen voor Zijn grootse verschijning. Altijd heb ik gedacht, dat ik het niet waard was om iets dergelijks te mogen meemaken. Alleen omdat Hij zo genadig is, had Shri Bhagawan gezorgd voor deze lila (goddelijk spel) op een plek waar grote asceten hun Inwijding hadden ontvangen, daarmee verlossing brengend aan zichzelf en aan alle andere wezens. Mij een dergelijke gunst schenken was slechts een voorbeeld van Zijn vrijgevigheid en een tastbaar bewijs van Zijn vriendelijke aard. Toen de tempelpriester die ochtend kwam deed ik alsof ik kwaad was en zei: ‘Ik wil dat U mij onder geen beding stoort. Al zou ik omkomen van de honger of van de dorst, of vier keer per dag eten, spreek me alleen aan als ik U roep!’ Deels door het vertrouwen dat hij in mij had, maar ook uit angst beloofde de priester zich hieraan te zullen houden. Doordat het zo koud was nam ik mijn bad vrij laat. Ik deed mijn gebeden, mijn meditatie en mijn japa. Toen sloot ik zorgvuldig mijn deur aan de binnenkant en vergrendelde haar. In een andere wand van de kamer was nog een opening met reling en ofschoon deze van tralies was voorzien, trok ik toch de luiken dicht en deed ook hier de grendel erop. In deze tempel waren twee foto´s van Shri Bhagawan, een in hemd en muts en de andere met slang en maan; de gebruikelijke attributen van Shiva. Jarenlang waren deze foto’s hier aanbeden. Terwijl ik Shri Maharaj nederig groette met de bedoeling om te gaan slapen, besefte ik niet dat Zijn genade me al zo spoedig zou toevallen. In de Bhagwat (Gita) had ik gelezen hoe Dhruva en andere grote heiligen pas bevrijding hadden gevonden, nadat ze met kracht en toewijding grote beproevingen hadden doorstaan. Ik was onervaren, ik was geen devotee, had geen vertrouwen of liefde en verwachtte niet dat ik de Heer al zo gauw zou ontmoeten. Ergens wist ik wel dat Zijn genade mij zou toevallen, want als Hij dat niet van plan was, waarom zou Hij me dan in deze heilige tempel aan Zijn voeten hebben geroepen? Ik wist honderd procent zeker dat Hij mij genadig zou zijn. Zulke gedachten hielden mij bezig, toen ik wat slaperig begon te worden. Kennelijk was mijn liefde voor Hem niet groot genoeg om de slaap te kunnen verdrijven. Ik wilde niet eten of drinken en was ook niet in de stemming voor ceremonies of voor het zingen van heilige teksten. Daarom besloot ik mijn tijd door te brengen met slapen. Toen ik wilde gaan slapen en de benen strekte, keek ik onbewust in de richting van de deur en daar zag ik Shri Bhagawan staan! Waar Hij vandaan was gekomen en hoe lang Hij daar al stond, weet ik niet. Door het gebrek aan ruimte, het plotselinge van de verschijning, de ontzagwekkende eerbied die mij vervulde en de zwakte van lichaam en geest kon ik niet overeind komen. Ik zat rechtop en plaatste mijn zwakke en zondige handen sprakeloos op Zijn heilige voeten. Ik was met stomheid geslagen! Hoewel mijn blik gericht was op Zijn heilige voeten, kreeg ik toch een vluchtige indruk van Zijn gehele verschijning, tot aan Zijn lotusvormig gezicht. Een tijd lang bleef Zijn liefdevolle blik op mij gericht, als om mij door Zijn genade de Zijne te maken. Alles om ons heen vervaagde en ik was mij enkel nog bewust van de bedwelmende nectar van Zijn aanwezigheid. Pas op die dag realiseerde ik me, dat het volledig opgaan in Hem was als een staat van eenheid met de Heer Shiva zelf. Shri Bhagawan doorbrak de soort van trance waarin ik mij bevond en vroeg me: ‘Baba, wat wil je?’ De zoete klank van Zijn stem was onbeschrijfelijk. Heiligen als Shri Valmiki, Vedvayas en anderen ontdekten in zulke gevallen, dat stilte de beste uitdrukkingsvorm is. In Zijn koesterende aanwezigheid vol van mededogen voelde ik mij helemaal bevredigd. Hij Zelf was net zo gelukkig om een weeskind onder zijn onbevreesde hoede te kunnen nemen, als een zorgzame koe die haar zwak en kreupel kalf aanschouwt. De schoonheid van Zijn eerbiedwaardige lichaam, Zijn geur en Zijn zachtheid waren meer dan mijn ogen of mijn verstand konden bevatten. Toen, terwijl Hij Zijn beide handen op mijn hoofd legde vroeg Hij nogmaals: ‘Baba, wat wil je?’ Bij het horen van deze woorden uit Zijn lotusvormige mond en het zien van Zijn heilige voeten voelde het in mijn hart alsof een Koninklijke Vader, bij het zien van de armlastige conditie waarin de zoon verkeert, direct bereid was alles weg te geven om diens last te verlichten. Zo was ook Shri Bhagawan blij om me te helpen, door me te overladen met de zegen van alle wereldlijke en bovennatuurlijke machten. Shri Bhagawan, Sambasadashiva, de Heer van de Drie Werelden en van alle levende wezens schonk mij de grote genade van vervulling! Ik was in extase, mijn geluk kende geen grenzen en terwijl ik mijn handen op Zijn heilige voeten gedrukt bleef houden antwoordde ik zachtjes: ‘Uw zegen.’ De ogen van de Heer, die zo vol mededogen was vulden zich met tranen. Zijn sterke hart smolt ineen en terwijl Hij opnieuw Zijn beide handen op mijn hoofd plaatste zei Hij: ‘Baba, deze deur was gesloten,’ en verdween. Door voor mij te verschijnen en mij Zijn darshan (peroonlijke ontmoeting met een heilige) te schenken, door Zijn nectarzoete woorden, Zijn compassievolle uiterlijk en de onverwachtheid van Zijn bezoek had Heer Jaganath Prabhu, die zo vol mededogen is mij het opperste geluk geschonken en al mijn wensen in vervulling doen gaan. Hij werd voor mij de verpersoonlijking van datgene waarop al mijn verlangens waren gericht. Na enige tijd werd de goddelijke bedwelming van volmaakt geluk iets minder. Ik opende de deur en liep de veranda op. Nog volledig verbaasd en stralend van geluk keek ik om mij heen om te zien of ik de makkelijk te behagen Heer Shiva ergens kon ontwaren. Op datzelfde moment kwam de priester water aandragen uit het riviertje. Lachend riep ik hem en toen hij zag dat ik blij was, werd ook hij direct blij. Opeens werd hij echter weer serieus en vroeg zich af hoe het mogelijk was dat hij me nog geen twee uur geleden afwijzend, in gedachten en een beetje waanzinnig had aangetroffen en dat ik nu blij was en weer normaal en hem op vriendelijke toon aansprak. Om hem uit zijn gedachten te bevrijden zei ik gauw: ‘Beste man, haal direct Shiromanji en zeg hem dat de sadhu alleen iets zal eten als hij naar de ashram komt en dat hij iets te eten mee moet nemen uit de winkel.’ Shiromanji had er een gewoonte van gemaakt mij eens per dag te komen bezoeken, twee keer per dag stond zijn zwakke gesteldheid niet toe. Daarom vertrouwde ik erop dat de priester een manier zou vinden om hem er toe te bewegen toch te komen. Het idee om te vasten had ik overigens niet opgegeven. Ik twijfelde eraan of alles wat ik had gezien werkelijkheid was of een spel van Maya (de godin der illusie) net zoals bij Dhruva, die zichzelf had voorgehouden dat hij zijn moeder in een visioen had gezien. Er waren een aantal redenen die deze gedachte ondersteunden. De eerste is dat ik twijfelend ben van nature. De tweede is dat Maharaj geen hemd en muts droeg toen Hij aan mij verscheen, maar een vrij korte doek die om Zijn middel was gewikkeld en waarvan een deel lager was vastgeknoopt. Het doek was heel licht en leek te stralen. Terwijl ik nog steeds in een soort onwerkelijke staat verkeerde, schoot mij Shri Prabhu’s mededogen en kracht weer te binnen en weer overspoelden mij die golven van gelukzaligheid die Zijn aanwezigheid had veroorzaakt. Intussen was Shiromanji aangekomen en iets later arriveerde ook de priester met de boodschappen. Ik vroeg Shiromanji wat voor kleren Shri Baba droeg. Op plechtige toon legde hij uit dat hij geen specifieke kledij placht te dragen. ‘Wij lieten hem soms een hemd en muts dragen,’ zei hij ‘soms een jasje en een tulband en voor eventjes wilde Shri Prabhu dan aannemen wat wij Hem gaven. Over het algemeen droeg Hij echter en dhoti, een lange doek waarvan de helft om zijn bovenlichaam was gewikkeld en de rest rond het onderlichaam.’ Zodra ik dat hoorde verdwenen al mijn twijfels. Daarna vroeg ik hem, terwijl ik wees in de richting waarin ook Shri Bhagawan had gewezen: ‘Shiromanji, was er ooit een deur aan deze kant van de kamer?’ Mijn vraag had Shiromanji zodanig verwonderd dat hij aan mijn voeten viel en zei: ‘Houd je me voor de gek? Ben je zelf Shri Baba? Hij heeft immers geen vaste vorm en maakte er een gewoonte van in verschillende gedaantes te verschijnen; Hij was God. Eens toonde Hij me het bedevaartsoord van Shri Badrinarayan, maar ik was door het wereldse gekluisterd en kon het Licht van de Goddelijke Essentie niet verdragen.’ Terwijl hij dat zei begon hij te huilen. Ik kalmeerde hem en zei zachtjes: ‘Als ik Shri Maharaj was waarom zou ik dan door deze bossen trekken op zoek naar Hem? Maar ja, ik behoor Hem inderdaad toe.’ Nu hernam Shiromanji zich en terwijl hij mijn hand pakte leidde hij me door de kamer. Hij liet me enkele plekken zien die aangaven waar de deuropening vroeger was geweest, op de plek die Shri Maharaj had aangewezen. Omdat het niet helemaal tot me door drong wat voor betekenis die deur had vroeg ik Shiromanji om uitleg. Hij legde uit dat de kamer van Shri Maharaj aan die kant een deur had gehad maar dat een van de devotee´s hem dicht had gemaakt en er een andere had geopend voor zijn eigen gemak. Meer hoefde ik niet te weten. Alles waar ik naar verlangd had was mij geschonken en mijn hart liet me weten dat het niet uitmaakte of ik op dat moment zou sterven omdat ik, dankzij deze grote zegening het doel van dit leven in deze wereld immers had bereikt. De priester bereidde het eten en nadat we het Shri Bhagawan hadden aangeboden, deden ook wij ons eraan tegoed. De volgende vijf, zes dagen voelde ik niet de behoefte om iets te ondernemen. Opeens maakte zich echter in mij de noodzaak kenbaar, om de wereld deelachtig te maken van de compassievolle boodschap van de Heer Shiva. Hij alleen kon de mensheid redden in deze dagen, waarin de wereld in duisternis was gehuld. Zorgvuldig onderzocht ik mijn hart, om te zien of zich daarin op enige wijze in mij het verlangen naar grootsheid en roem schuilhield, dat via deze weg bevrediging zocht. Maar hierover kunnen we kort zijn, want door de zegen van de Heer wás en is een dergelijk verlangen daar ook nu niet. Deze wens werd mij uitsluitend ingegeven om het welzijn van de mensheid te dienen en in het bijzonder diegenen, die mij zagen als hun spirituele leraar en ernaar verlangden om door mijn hulp bevrijd te worden. Dit ondanks dat ik hen bij herhaling had uitgelegd en dat nog steeds probeer, dat ik niet bij machte ben hun die hulp te bieden, dat dit allemaal het Goddelijke spel is van Bhagawan en dat ik slechts een boodschapper ben. Ik voelde echter, dat ik de mensheid deze gezegende boodschap van de Heer moest brengen en dus deed ik het. Ik schreef brieven, ook aan mensen aan wie ik nooit eerder had geschreven. Had Shri Bhagawan niet Zelf aan deze plek de naam gegeven van ‘Sidhashram’, wat ‘Goddelijke hermitage van Bovennatuurlijke krachten’ betekent? Ik schreef naar iedere devotee van deze ashram, waaronder prinsen, wijzen, en diegenen die geheel opgaan in hun pogingen om zelfrealisatie te verwerven en ik sprak vrij uit tot hen: ‘Tot aan vandaag diende U kraaien, die zich voedden met het vuil van onze wereldlijke verlangens. Nu is de tijd gekomen dat U niet zomaar een zwaan dient, maar een Param Hansa, de Koning der Zwanen. Iemand is het, die de opperste staat van bewustzijn heeft overstegen en werkelijk en op onweerlegbare wijze de vorm van de Heer Shiva Zelf is. O gij allen, die verontrust en smekend op zoek bent naar de Heer, gij die de waarheid lief hebt, aarzelt niet langer en werpt Uzelf aan Zijn voeten. Laat nu traagheid en vage begrippen achter en zoekt Uw heil in Hem.’ Aldus schreef ik, omdat de Heer het me gebood. Ongeacht aan welke edele ziel ik dit verhaal over Shri Prabhu ook schreef, al deze grote zielen werden niet alleen in groten getale Zijn volgelingen, zij werden ook Zijn toegewijde devotee’s en voelden zich allen een met Hem. Volgens de eigen vedische, tantrische of boeddhistische traditie begonnen de mensen Zijn foto’s te aanbidden. Door de levendige bewijzen die hen werden gegeven begonnen de mensen regelmatig en met grote overgave tot Hem te bidden. Velen zagen hun verlangens in vervulling gaan. Ook vele buitenlandse devotee’s ontvingen datgene wat zij vurig wensten. Sommigen waren begenadigd met een echt visioen van Zijn Aanwezigheid, weer anderen kwamen in bezit van al wat wenselijk is en goed, doordat Hij ze stilletjes aanstuurde, hetzij door middel van Zijn devotee’s of via hun eigen persoonlijke inspanningen. Er waren vele bijzondere gebeurtenissen, die ik U echter niet nu zal vertellen. Twee jaar na deze voorvallen werd het boekje ‘Punya Smriti’ uitgegeven waarin zowel verzen zijn opgenomen ter ere van Shri Bhagawan, als Zijn richtlijnen. Door de toewijding van Shri Munindra’s devotee’s gebeurde het, dat dit boekje in toenemende mate werd bestudeerd en gereciteerd. Toen ik vanuit Sidhashram naar Haldwani kwam, kreeg ik steeds sterker het verlangen om het bedevaartsoord van Haidakhan te bezoeken. Wanneer en van waar Shri Maharaj is gekomen, zal altijd een mysterie blijven, maar in deze incarnatie verscheen Hij voor het eerst op die heilige plek. Daarom is deze plek van Zijn eerste verschijning Zijn devotee’s even lief en heilig als Ayodhya en Mathura, wat verklaart waarom ook ik vervuld was van een alsmaar groeiend verlangen om deze heilige plek te bezoeken. Zie verder: Mahendra's Anupam Kripa, Deel 2!