Dit is deel II van Mahendra's boek Anupam Kripa, oneindige zegeningen. In de loop der tijd zullen meerder hoofdstukken worden toegevoegd.
8) HET GEBIED VAN HAIDAKHAN
En ook die dag brak aan! Tegen het einde van de donkere veertien dagen van de maand Ashwin, de zevende maand van de Hindu-kalender bezocht ik in dit lichaam die plek. Het ligt op dertien kilometer afstand van Haldwani in het district Nainital en de weg ernaar toe is moeilijk begaanbaar. Achter de berg Kailash, aan de oevers van de Gautama Ganga ligt een dorp met de naam Haidakhan. Omdat de geneeskrachtige plant Harad (terminalia chebula groeit als vrucht aan een boom, traditioneel middel tegen veel kwalen) hier in overvloed groeit, werd het dorp bekend onder de naam Haidakhan. Veertig jaar geleden was de weg erheen heel moeilijk begaanbaar en vandaag de dag is het nog steeds niet eenvoudig er te komen. Te paard is het wel goed bereikbaar. Er is een weg in aanbouw voor auto’s, er is een bureau van de boswachterij, een staatshospitaaltje, een school en er zijn enkele winkeltjes geopend. Er is nu bijna geen gevaar meer te duchten. Omdat dit de plaats is waar Shri Prabhu de eerste Shivatempel liet bouwen, begonnen de mensen dit Eeuwige Wezen Shri Haidakhan Baba te noemen. De tempel, het gastenverblijf en de plek van het offervuur zijn door Hem gebouwd. Shri Bhagawan verscheen voor het eerst aan een aantal mensen uit het dorp in een grot die door het Goddelijke Zelf is geschapen. Deze grot, die voorbij Haidakhan ligt aan de voeten van de berg Kailash, lijkt op een onafhankelijke troon van een onafhankelijk heersende keizer. De vrede, de blijdschap en de schoonheid die men daar ervaart is onbeschrijfelijk. Men noemt het een grot, maar in werkelijkheid is het een tempel die op natuurlijke wijze is ontstaan. In deze grot ontving Shri Maharaj vaak mensen en gaf Hij leiding aan wie zulks verlangde. Van menig oud en wijs persoon hoorde ik over Goddelijke handelingen die door Hem op die plek waren verricht, maar ik zal daar niet over schrijven. Ik zal het alleen hebben over die gezegende voorvallen waarvan ik door Zijn genade met mijn eigen ogen getuige ben geweest en over de nectarzoete uitspraken die uit Zijn lippen vloeiden, welke ik met eigen oren heb vernomen. Hier volgt in het kort het een en ander.
Toen ik in deze heilige grot mijn intrek nam, had zij tot voor kort onder water gestaan vanwege het zwellen van de rivier. Het was er daarom behoorlijk vochtig. In die tijd had ik een grote lap, waarvan ik de helft gebruikte om op te liggen en de andere helft om mij toe te dekken. Op deze manier bracht ik drie dagen in de grot door. De dorpelingen brachten mij dagelijks te eten. Op een dag bracht een devotee mij wat rijststro en hij stond erop om het voor me uit te spreiden. ’s Nachts, terwijl ik lag te slapen was er plots een geluid, waarvan ik dacht dat het door het stro kwam en dus maakte ik me geen zorgen. Er waren echter nog geen twee minuten voorbij, of ik hoorde het geluid weer en dit maal twee keer zo luid. Snel kwam ik overeind. Het leek alsof alleen de weerklank tweemaal zo sterk was, maar het geluid hetzelfde bleef. Nu begon ik slaperig te worden, maar ook een beetje bang en omdat ik oververmoeid was, besloot ik dat het beter was te kijken of ik de slaap kon vatten. Amper was ik weer in slaap gevallen, of ik hoorde het ratelende geluid weer, nu nog luider dan ervoor, zodat ik weer overeind schoot. In mijn geest was nu geen enkele gedachte meer en mijn slaperigheid was geheel verdwenen. Ik was verwonderd over mijzelf. Ik had immers vaak genoeg in gevaarlijke bossen en bergen rond getrokken, zonder dat ik ooit zo bang was geweest. Wat was deze bijzondere omstandigheid, die mij de moed deed verliezen? Nou ja, wat Shri Bhagawan mij ook toestuurde, het was altijd voor mijn bestwil en daarom besloot ik tot Hem te bidden, niet uit geloofsoverweging of uit vrees, maar gewoon om de tijd door te brengen. Zodra ik de gebeden begon op te zeggen, verloor ik het bewustzijn en in die staat componeerde ik de verzen, die de naam zouden krijgen van Shri Munindra Sukta, gebeden voor Shri Munindra. De verzen kwamen tot stand dankzij de macht der Goddelijke Genade. Het uitspreken van de verzen maakte mij ontzettend blij, maar na ze een keer te hebben uigesproken begon ik ze te vergeten. Ik kon die vergeetachtigheid niet uitstaan en ik zei tegen mijzelf: ‘Waartoe dient deze vorm van onthechten?’ Want als ik een pen had gehad, of licht, wat die dorpeling mij had aangeraden dan had ik die prachtige lofzang aan Shri Bhagawan kunnen opschrijven, omdat ze immers gecomponeerd waren als een zegen voor de mensheid. Maar direct bedacht ik ook, dat als ze door Shri Bhagawan zelf waren geïnspireerd, Hij ze zeker niet zou vergeten. De genadevolle Heer zal ze mij ’s ochtends weer in herinnering brengen en als zij toch van eigen makelij zijn, dan is het niet erg om ze te vergeten. Er zijn veel van zulke verzen gecomponeerd, maar alleen de woorden van een heilige hebben effect.
Met deze gedachten viel ik vredig in slaap en werd pas wakker om acht uur de volgende morgen. Een leraar van het dorpsschooltje, die de gewoonte had langs te komen en mij dan ook wat melk bracht, zag dat ik nog sliep en zei: ‘Maharaj, Slaapt U nog? U lijkt mij een ontwikkeld mens, neem deze pen en dit papier van mij aan voor het geval U iets zou willen opschrijven.’ Daarna vertrok hij weer. Ik besloot de melk pas te zullen drinken, nadat ik de verzen had opgeschreven die Bhagawan mij ’s nachts had ingegeven. Als het inderdaad openbaringen van Bhagawan waren, zo zei ik tegen mijzelf, dan zou het mij zeker weer te binnen schieten. Ik ging met papier en pen zitten aan de oever van de Gautama Ganga, op een steen recht tegenover de grot en na een kort gebed begon ik te schrijven. O, het ene na het andere woord van de lofverzen verscheen aan me alsof er een licht in scheen! In een staat van opperste verrukking schreef ik de verlichte, mantrische woorden op met handen die trilden van emotie. Toen pas dronk ik de melk, God dankend voor deze immense genade en grootsheid. Deze verzen waren als de lofbedes aan Shiva, aan Laxmi of aan de Ratri en worden inmiddels door iedereen gebruikt. Er kunnen grammaticale fouten in zitten, maar het is geen literair werk. Het is een mengeling van Goddelijke Muziek, Goddelijke Woorden en Goddelijk Vertrouwen. Het gaat als volgt:
‘Shri Munindra Sukta’ – gebed voor Munindra
Kailash giriware ramye nivasantam sushantibhih,
Tam Munim satatam vande sada karunya rupinam.
Op de prachtige top van de berg Kailash, woont de meest Compassievolle en Schoonste Heer in perfecte vrede; voor Hem wil ik altijd buigen.
Yasya smarana matrena siddho bhawati sadhakah,
Sadgurum tamaham vande Haidakhand vasinam.
Door zich Hem in herinnering te brengen verwerft een devotee alle occulte krachten en wordt hij een heilige; aan dat Grote Wezen van Haidakhan zweer ik trouw.
Yasha kripa katakshena dhanyo bhawati manavah,
Tasya padyorekam pranamami nirantaram.
Een zijdelingse blik van Hem maakt Zijn devotee al gezegend, ik vlei me aan Zijn voeten.
Komalam hrydayam yasya komalam yasya bhashanam,
Dandoapi Komalo yasya komalangam namamyaham
Voor Hem Wiens hart vol tederheid is, Wiens spraak ongewoon zoet is en Wiens straf zelfs zacht is; voor de Prabhu met de sierlijke ledematen buig ik keer op keer.
Drushtim dayamayim kritwa yah pashyati characharam,
Lokopakar nirato ragadveshadi varjitah.
Onaangetast door de tegenstelling tussen affectie en aversie, is Hij alle wezens van deze wereld vriendelijk gezind. Aan Hem (God), die het welzijn van ieder wezen voortdurend ter harte gaat, zweer ik in alle nederigheid trouw.
Sadguruh sadgunadharo dhyan gamyah sadashayah,
Satyam param chidanandam sansmaramihi sarvada.
Getooid met een hart vol mededogen, is Hij toegankelijk voor allen die op Hem mediteren en ondersteunt Hij alle goede menselijke eigenschappen! Elk moment bid ik tot Hem, de Almachtige Heer, belichaming van Waarheid, Bewustzijn en Zaligheid.
Hari-Deva HarerBhakto, Harerdhyana parayanah,
Harernamamritam pitwa Harerdham param vrajet.
Als object van de meditatie is Hij Hari (Vishnu) Zelf, als degene die mediteert is Hij Hari’s devotee. De meditatie zelf is zich concentreren op Hari. Op zodanige wijze, door de nectar van Zijn Naam te drinken in dit drievoudige aspect van: ‘de meditatie’, ‘hij die mediteert’ en ‘degene tot wie de meditatie is gericht’ vindt de wereldse mens bevrijding.
Yo dadati cha balanam sadgyanam tu su durlabham,
Sarva sadhan hinoapi twamekam avalambanam.
Gij die mensen zegent met kennis, wanneer ze verstrikt zijn in het wereldse Maya; O Heer, ofschoon mij ieder middel ontbreekt om U te benaderen, bent U mijn enige steun en toeverlaat.
Maha Martanda rupena mohadhvanta vinashakah,
Sarva bhutatma rupoasi Mahendrasya cha jivanam.
Gij verjaagt de duisternis van onwetendheid uit de harten van Uw devotee’s, door er licht op te werpen vanuit het zonlicht van Uw wijsheid. U bent de pure geest in de harten van alle wezens en U bent het leven zelf in deze ‘Shri Charanashrit Mahendra.’
Drie á vier dagen bleef ik nog in de grot. Zonder enige inspanning was ik in staat, geheel op intuïtie meerdere invocaties en gebeden te componeren. Sommige ervan gaven bepaalde lessen weer, andere gaven hun diepere wijsheid eerst prijs na zorgvuldige bestudering van de prachtige Sanskrietverzen. Maar ik verscheurde al mijn composities direct ter plekke en behield alleen de ´Sukta´. Deze dichterlijke inspiratie was als een schok voor mij. Ik realiseerde mij dat ik God al sinds mijn prilste jeugd had laten weten, dat ik niet naar weelde streefde, naar mooie vrouwen of naar de kunst van het dichten. Nu had ik echter deze macht verworven door Zijn genade en gebruikte ik het met zulk plezier dat het een verlokking werd en daarom vertrok ik naar Haldwani. Vanuit de grot in Haidakhan leidt de weg naar Haldwani via de Shivatempel en het dorp. Die weg nam ik echter niet, omdat de dorpelingen mij niet zouden hebben laten vertrekken. Het liep namelijk al tegen vieren en ook vanwege de gevaren zouden zij me hebben proberen tegen te houden. Bovendien wilde ik direct uit de grot vertrekken en daarom stak ik de rivier over en vervolgde mijn weg langs een pad dat zeer moeilijk begaanbaar was. Rond elf uur arriveerde ik in Haldwani.
Na enkele dagen langs verschillende plekken te zijn getrokken, belandde ik door Shri Prabhu’s onverdiende genade weer in Sidhashram. Ik had er een gewoonte van gemaakt om er elke twee á vier maanden te komen.
Ik heb in dit boek alleen in het kort die voorvallen beschreven tijdens mijn bedevaarten, waarop zich opmerkelijke manifestaties hebben voorgedaan. Op deze pelgrimstocht werd ik door een aantal mensen vergezeld. Shri Maharaji’s jaarlijkse verering was in Haldwani met veel devotie en grandeur gevierd. Veel van Zijn devotee’s waren van verre gekomen om dit bij te wonen en sommigen van hen hadden mij vergezeld naar Sidhashram. Het was op de elfde dag van de lichte helft van de maand Vaishak, op dinsdag 20 mei 1952 dat de volgende gezegende gebeurtenis plaats vond. Het was midden op de dag om ongeveer vijf voor twaalf en een kraakheldere lucht tekende de hemel strakblauw, toen deze zegening op het groepje rijpe individuen neerdaalde. Van welke kant je het ook bekijkt, het leidt geen twijfel, dat dit gebeuren werkelijk heeft plaats gehad. Na het eten had ik mij direct te ruste gelegd en was ik vrijwel direct in slaap gevallen. Opeens schoot ik wakker, opende mijn ogen en stapte naar buiten op de veranda, zonder te weten waarom. Daar ging ik zitten met mijn gezicht naar het noorden. Op dat moment waren er drie mensen, waaronder een vrouw, die ik zonder een speciale reden naar de rivier stuurde om water te halen, wat ze direct deed. Zodra de vrouw weg was, werd mijn blik naar voren getrokken en zag ik een prachtig, stralend licht in de vorm van een menselijk wezen; een schittering die met geen menselijke woord te beschrijven is!
‘O Heer, leid mij vanuit duisternis naar het Licht.’
Dit licht, dat door grote rishi’s verlangd is en aanbeden, is met niets ander te vergelijken. Niet met het licht van de maan of dat van de zon. Niet met het licht van de bliksem of de blanke straling van kristal; op geen enkele wijze waren al deze vormen van licht ook maar bij benadering met de schittering van dit Licht te vergelijken. Het was volstrekt onbeschrijfelijk en het leek op een schitterende vlam. Zelfs op het midden van de dag, terwijl de zon op zijn hoogste punt stond zond dit lichtlichaam zijn pure schoonheid en schittering uit in al zijn pracht! Dit licht moest zich, in en rechte lijn gemeten op ongeveer een achthonderd meter van de ashram bevinden en via land ruim drie kilometer, omdat het wegens de diepe ravijnen onmogelijk direct te bereiken was. Direct deed deze schittering me denken aan Shri Bhagawan, omdat dit soort gebeurtenissen door Zijn zegen wel vaker waren voorgekomen. Even was ik mij niet langer bewust van mijn omgeving, maar dan werd mijn blik weer gevangen door dit Goddelijke Licht. Terwijl ik daar zat, aanbad ik het innerlijk met grote eerbied en zegende ik mijn ogen dat ze de aanblik mochten genieten van dit pure amethistachtige licht; Ik werd door de aanblik eenvoudigweg verlicht. Een pelgrim die naast mij zat, had geen flauw idee wat er zich voor hem afspeelde en het leek mij niet juist dat hij onwetend zou blijven van deze heilige gebeurtenis. Daarom maakte ik hem er op attent door te zeggen: ‘Kijk, U wordt vandaag getrakteerd op een heel bijzonder visioen. Kijk recht vooruit, wat is dat licht?’ Op zulke momenten komt concentratie vanzelf en toen hij het licht zag werd hij opeens stil. De aanblik maakte ook hem gelukkig. Als er zoiets gebeurt, praat of schrijf ik er bewust niet over. Het is immers onmogelijk om dergelijke occulte fenomenen te beschrijven.
‘O Moeder, het gaat de mogelijkheden van het verstand en de spraak te boven om Shri Rama’s schitterende vorm te beschrijven. Er is immers sprake van niets minder dan zelfrealisatie. Het is alsof een stomme het in woorden zou proberen te beschrijven, hoewel het sommige begenadigden wel vergeven is.’ Zulke gebeurtenissen helpen nieuwe aspiranten hun vertrouwen te versterken. Terwijl ik het wonderlijke voorval besprak met de persoon naast me, die ook het visioen van Zijn gezegende vorm had mogen ontvangen, opdat het zich stevig en helder in zijn hart zou verankeren, kwam de vrouw terug met het water. Toen ze van het gelukkige voorval hoorde, leek het alsof ze een shock kreeg. Ze dacht dat de zegen van Shri Bhagawan niet voor haar bestemd was. Ze was ervan overtuigd, dat ik er voor had gezorgd dat ze het gezegende visioen niet had mee gemaakt, omdat ze niet regelmatig bad en haar verzen opzei. Ze dacht namelijk dat ik, Baba alles wist en hoezeer ik het haar ook trachtte uit te leggen, ze bleef er vast van overtuigd dat ik mijn kameraden de kans had gegeven om het visioen te zien. Hoe kon ik haar vertellen dat ze de volgende dag het zelfde visioen zou ontvangen? Shri Bhagawan’s mededogen is groot en de Heer had het verlangen van de arme vrouw gehoord en zo schonk Hij haar de volgende dag, op het zelfde tijdsstip Zijn visioen en vervulde zo ieders wens. Een andere vrouw had op dat tijdsstip geslapen en toen ze van het voorval hoorde, werd ze erg verdrietig. Op de derde dag schonk de Heer zijn grote zegen opnieuw en op hetzelfde tijdsstip gaf Hij weer het visioen van Zichzelf in de zelfde vorm, ofschoon de schittering van het Visioen op een of andere manier minder leek. Deze keer was er ook een gelukkige jongen bij van ongeveer zeven jaar, die Gopal Prasad heette. Hij was als een hedendaagse, moderne Dhruva. In verwondering zei deze jongen tegen zijn moeder: ‘Moeder wat is dat licht?’ Deze zegeningen ontvingen we dus elke dag op de twintigste, eenentwintigste en tweeëntwintigste, te weten tussen de elfde en de dertiende van de Hindoemaand.
Dit visioen, dat zelfs voor grote Yogi’s zo moeilijk te verwerven was, leek die dag zo gemakkelijk te verkrijgen. Wat kan ik zeggen; ere en nog eens ere aan die grote Kracht die zo vol Mededogen is! Door Zijn genade ben ik, met veel andere devotee´s meerdere malen gezegend met het voorrecht van dergelijke visioenen en woorden. Door zich in een visioen te openbaren heeft Hij vaak vele mensen op uiteenlopende manieren beschermd. Sommigen schonk hij vrede door hen kennis aan te reiken. Aan vele anderen, die door ongeluk of rusteloosheid waren getroffen toonde hij Zich en verscheen Hij in Zijn eigen vorm, of in de vorm van de godheid die zij het meeste lief hadden en die zij zo graag wensten te zien. Velen die rusteloos en zonder hoop waren vonden vrede. Veel onderontwikkelde en niet-religieuze mensen werden beoefenaars van het spirituele pad, na over Shri Maharaj te hebben gehoord of gelezen. Allen begonnen ze deze waarachtige Leraar, die zo groots was en zo´n hoge graad van realisatie had verworven in gedachten te aanbidden en te dienen, in overeenstemming met hun eigen gevoelens. Shri Bhagawan nam deze vorm van de Guru aan om alle wensen in vervulling te doen gaan. En nog steeds vindt de Goddelijke Lila van Shri Bhagawan op de zelfde wijze plaats. Ik bracht het meeste van mijn tijd door in Sidhashram, Haidakhan, Kathgharia (Haldwani) en Vrindaban. Op aandringen van volgelingen reisde ik soms af naar verre oorden, waarvan ik gauw weer naar deze ashrams terugkeerde om mij met andere devotee’s zoveel mogelijk over te geven aan de verering van Hem. Samen met medevereerders en bezoekers hadden we het dan over de Naam, de traditionele rituelen, het inzicht in Waarheid, Eenvoud en Liefde en discussieerden we hierover binnen de grenzen van onze intellectuele vermogens.
Na enige maanden keerde ik weer eens terug naar Sidhashram. Die keer had ik besloten om niets mee te nemen op mijn pelgrimstocht ernaartoe. Een bedevaart naar de Himalaya’s is niet eenvoudig, maar door Zijn genade heb ik er jarenlang rondgetrokken. Op een van die tochten belandde ik dus weer in Sidhashram, op een moment waarop er verder in de ashram niemand was. De priester had de gewoonte om iedere dag na de avondrituelen naar huis terug te keren. Op dat moment had ik maar tien of twaalf aardappelen bij me en ik had bedacht dat ik drie aardappels per dag zou eten en dat ik daarna de ashram zou verlaten; met honger in Bhagawan’s ashram blijven en verlangen door Hem gevoed te worden was immers niet passend! Het was daarom beter om dan te vertrekken. Met deze gedachten roosterde ik drie aardappelen in het tempelvuur en toen ik daarna juist dacht te zullen gaan slapen, hoorde ik weer die zelfde, vertrouwde stem. Terwijl Hij goddelijk straalde en mij toelachte, zei Hij met een zorgzame blik: ‘Baba, blijf hier. Je zult niet alleen voedsel maar ook geld ontvangen.’ Och, wat een zorg heeft Hij toch voor Zijn devotee’s, de barmhartige Heer! Met vreugde maar ook geamuseerd over mijn eigen onbeduidendheid, bedacht ik wat een gebrek aan vertrouwen ik niet aan de dag moet hebben gelegd, dat Shri Maharaj om zoiets onbelangrijks het woord tot mij moest richten. Wat? Moet je je dan altijd zorgen maken over je levensonderhoud? Nee werkelijk, denken aan de zorg voor het onderhoud van dit verachtelijke lichaam wordt op deze heilige plek een lachwekkende zaak. Ook was het waar dat ik niet in staat zou zijn geweest te blijven, als er geen regeling zou zijn getroffen voor het eten. Dit was maar een voorbeeld van de wonderbaarlijke krachten van Shri Bhagawan’s Lila’s. De Compassievolle wenste, dat ik mij wat langer op die plek zou ophouden en nog diezelfde dag ontving ik van een aantal mensen een grote hoeveelheid voedsel. Na een paar dagen ontving ik, zonder enige aanleiding een postwissel ter waarde van tweehonderdeneen rupies. De afzender kon onmogelijk weten waar ik op dat moment verbleef, noch had hij de gewoonte mij geld over te maken. Daarom was het duidelijk dat Prabhu al deze gebeurtenissen aanstuurde en door Zijn zegen verbleef ik soms maanden lang in deze ashram. Er is altijd het verlangen om langer te blijven in een ashram waar de indrukken van Prabhu’s voeten wordt gekoesterd, maar soms leidde mijn pad naar elders. Als de geest dan weer naar Prabhu toe werd getrokken, dacht ik met liefde terug aan Sidhashram.
Een keer ging ik naar Sidhashram in de winter. Omdat ik al vele dagen geen visioen van Hem had gehad, begon ik ongeduldig te worden en richtte ik me smekend tot Hem met de woorden: ‘Heer, hoe kan ik zolang leven zonder een glimp van Uw gezicht te mogen opvangen?’ Och, zelfs een lichte smeekbede als deze, wordt door de inwonende Heer snel verhoord! Als een beeld zo je geest binnen komt, brengt het een vreemde verstoring teweeg in je hart. Prompt de morgen erop liet Shri Maharaj mij in een visioen een voor een al Zijn ledematen zien; soms zag ik enkel Zijn heilige voeten, of werden mijn ogen gezegend door Zijn lotusvormige ogen; dan weer leken Zijn lange armen naar Zijn knieën te reiken alsof ze heel de wereld zegenden! En zo ging deze zegening nog een hele tijd door. Het was bij die gelegenheid dat in mijn hart de idee post vatte, dat Shri Maharaj aanwezig was in iedere atoom van het Universum, niet alleen in mijn voorstelling of in theorie, maar werkelijk! ‘De hele wereld is de vorm van Brahma; buiten Brahma is er niets.’ Grote wijzen hadden dit inzicht dankzij voorvallen als deze verworven. Als zoiets je overkomt, blijft de invloed ervan lang voelbaar in je hart. Dankzij deze gelukkige voorvallen, werd Sidhashram voor mij een zeer aantrekkelijke plek, iets wat de Alwetende Heer geenszins behaagde. Zijn Goddelijke spel maakte daarom, dat ik eens in de zomer in Sidhashram belandde. Door de natuurlijke schoonheid van de plek verleid, besloot ik er te blijven en éénentwintig dagen te vasten (dit besluit had geen andere reden als om mijn behoefte aan slaap te verminderen). Op de dag dat ik met vasten wilde beginnen, verscheen Shri Maharaj rond zes uur in de ochtend aan me met een bevel. Het licht verdween bijna direct, maar de stem bleef en ik kon de spreker niet zien. Bij het horen van de woorden leek het alsof Prabhu tot mij sprak vanaf een grote afstand buiten de kamer en toen het gevoel kwam dat Bhagawan mijn eigen ziel was, voelde ik me een met Hem; Hij zelf was de spreker en Hij zelf degene die luisterde. Er was een onbeschrijfelijke eenheid in de vibratie van de woorden, de betekenis van de woorden en de woorden zelf. Zo zoet klonken deze mantra’s in de oren! Shri Maharaj zei: ‘Baba, je spirituele ontwikkeling kan niet hier plaats hebben.’ Ik zat op dat moment op mijn slaapplek, omdat ik net uit mijn slaap was ontwaakt en ik had de ogen gericht op Shri Maharaj’s foto. Toen ik deze woorden hoorde ging ik direct naar buiten, maar kon in de verste verten niemand zien. Ik twijfelde er niet aan of Shri Maharaj en niemand anders had die woorden uitgesproken. Alleen Hij, de Compassievolle zegende mij voortdurend met Zijn ontoegankelijke Genade. Wat kan ik nog meer schrijven over de gebeurtenissen in die almachtige en grootse Sidhashram? Tot op de dag van vandaag zijn de wensen van vele devotee´s er in vervulling gegaan, maar daar zal ik het nu niet over hebben. Dergelijke voorvallen zijn namelijk al op verschillende manieren in andere boeken beschreven. Sinds ik Zijn bevelen had ontvangen aangaande Sidhashram, ging ik er natuurlijk minder vaak naar toe, ofschoon het voor mij toch altijd de meest onvergetelijke plek zou blijven.
10. DEVGURU
Omdat het enthousiasme om Sidhashram te bezoeken wat minder was geworden, begaf ik me de eerstvolgende keer dat ik ernaar verlangde de Heer te zien naar Haidakhan. Nadat ik er een dag of vier had uitgerust, ging ik door naar Shri Devguru. Deze berg wordt beschouwd als een van de heiligste plekken. Je kunt van hieruit heel duidelijk met sneeuw bedekte bergtoppen zien. Historisch gezien is men ervan overtuigd, dat Shri Vrahaspati hier lange tijd boete heeft gedaan om de zegen van de heer Shiva te verkrijgen en dat zijn kennis daardoor onpeilbare dieptes heeft bereikt. Tot op de dag van vandaag is er op die plek een Shivatempel, op een oeroud platvorm. De natuurlijke schoonheid van de plek, haar puurheid en de geuren die de wind mee voert hebben het wonderlijke effect, dat er in de geest een rust neerdaalt die uniek is. Men wordt er op een heel buitengewone manier door geraakt. Naast het Shivaplatvorm is een kleine grot, waar je niet rechtop in kunt staan; je kunt er alleen in zitten. Als je van daaruit ongeveer een mijl de helling af loopt vind je een smal stroompje. Vlakbij bevinden zich rotsen die zo gevormd zijn, alsof ze degene die daar mediteert bescherming willen bieden tegen regen of zon. Een paar jaar lang heeft een asceet op deze plek gemediteerd en er zijn offerrituelen gedaan. Op die plek bracht ik de nacht door, toen ik uit Haidakhan aankwam. Een oude dorpsbewoner en de asceet hadden mij verteld, dat op dezelfde plek onder de rots waar ik sliep Shri Maharaj gewoon was te zitten. Ook de dorpelingen bevestigden dat Shri Maharaj altijd daar placht te zitten als Hij naar Devguru kwam. Bovendien kreeg ik er een visioen van Shri Maharaj dat mij een zodanig gunstig voorteken leek, dat ik weer naar boven klom en daar twee dagen bleef zitten zonder eten en drinken zonder dat ik honger of dorst voelde. Ik verkeerde in een toestand van diepe, vredige rust toen ik mijn benen optrok, een dunne doek over me heen trok en mij in de kleine grot te ruste legde. Op deze speciale plaats had Shri Maharaj zijn Goddelijke lila’s ten toon gespreid. Tot op heden kun je er nog overblijfselen van Shri Maharaji´s strohut vinden. Ik vond in deze bedevaartsoorden onthechting van wereldlijke dingen, rust, vrede en zaligheid en zonder dat ik er enige moeite voor hoefde te doen, ervaarde ik alwetendheid en zelfrealisatie.
De volgende ochtend, ongeveer een uur na zonsopgang, was ik in een heel vredige staat toen Shri Maharaj zich opnieuw aan mij toonde en met grote compassie en rust tegen mij zei, ‘Baba, ben je hierheen gekomen om je leven op te geven? Je bent even dierbaar aan mij als mijn eigen leven.’ Toen ik Zijn oneindige mededogen voelde werd ik ontroerd, want zelfs een hart zonder gevoelens stroomt over van liefde en zorg door de zegen van Prabhu. Smartelijk begon ik te huilen, er was immers toch niemand waarvoor ik me hoefde te schamen. De Heer van Mededogen kon het niet verdragen Zijn kind te lang te zien huilen. Het is niet in Zijn aard zomaar op wiens pijn dan ook neer te zien en daarom schonk Hij mij kort daarop weer een visioen van Zichzelf, alsook Zijn volle zegen. Ik beschrijf dit soort voorvallen liever niet. Als je zoiets zelf beleeft ben je niet in staat het te beschrijven. Welke dichter zou die Subtielste aller Essenties kunnen beschrijven, die voorbij kennis ligt? Dat vermogen wordt alleen door eigen ervaring verkregen. Toen mijn geest na enige tijd weer tot rust was gekomen, meende ik dat de asceet mijn aanwezigheid niet langer op prijs zou stellen en ik besloot diezelfde dag nog te vertrekken. Ook Shri Maharaj zou met mijn doelloze rondreizen vast niet tevreden zijn. Nadat ik met eerbied afscheid had genomen van de heilige plek en mijn blik nog eenmaal aan haar schoonheid had gelaafd, begon ik mijn afdaling. ‘Die Goddelijke Moeder die als het Licht in alle wezens aanwezig is.’ Vele malen had ik deze regels gelezen, maar vandaag zag ik dankzij Gurudev’s ongekende goedheid niet alleen Zijn werkelijke vorm, ik voelde mij ook onlosmakelijk met dat prachtig Stralende Licht verbonden. Dit was geen fantasie; elke haar op mijn lichaam trilde mee met dat gevoel! Lichaam, zintuigen en geest waren allen gezamenlijk in een staat van zalige trance. Na de ervaring kwamen gevoelens met woorden om ze te beschrijven. Deze woorden zijn net zo min bij machte deze hoedanigheid te beschrijven als de vaardigste onder de mensen in staat is te beschrijven hoe het huwelijk van zijn ouders tot stand kwam. Over het midden van het pad was de asceet bezig naar boven te komen. In iedere hand droeg hij een kan met water. Met een stem vol blijdschap zei hij: ‘Ik kwam hier naar toe omdat ik dacht: als de grote wijze niet naar beneden komt om te eten, zal ik boven bij hem gaan zitten. Kijk, ik heb twee kannen vol met water bij me, eentje voor bij de gebeden voor Shri Shiva en de andere voor U. Kom toch naar beneden en rust daar nog een beetje uit.’ Ik bleef nog twee, drie dagen daar en nadat ik langs het dorp Pashia was getrokken, bracht ik de nacht door in een oude grot in de buurt van Haidakhan. Zodra ik ´s avonds de grot binnen trad, hoorde ik de volgende woorden vanuit de Goddelijke bron: ‘Baba, je bent teruggekomen van Devguru en ik ben erg blij.’ Bij Zijn Gratie had ik vele malen over dit soort Goddelijke uitingen gehoord, voordat ik zoiets zelf uit de eerste hand ervaarde. Toen ik er vroeger wel eens over had gelezen in de oude geschriften, was ik ervan overtuigd dat dat niveau alleen was weggelegd voor de zuivere geesten van de wijzen die de boeken geschreven hadden. Ik had gemeend dat weinig begiftigde mensen met gering onderscheidingsvermogen en beperkte kennis geen kans maakten om die hoogten te bereiken welke de rishi’s in de Purana’s en de Shastras (heilige boeken) hadden beschreven. Nu wist ik uit eigen ervaring, dat ieder woord van de literatuur die ik had gelezen aan de feitelijke waarheid was ontsproten en dat elk woord van ervaring was doordrongen. Na een paar dagen verliet ik Shri Haidakhan en ging naar Haldwani.
(wordt vervolgd)